Hart
Atherosclerose
Atherosclerose, ook wel aderverkalking genoemd, is een chronisch ontstekingsproces waarbij lipiden en immuun cellen zich geleidelijk ophopen in de vaatwand en atherosclerotische plaques vormen. Deze aandoening ontstaat door een complex samenspel van genetische en leefstijlfactoren, die zowel klinisch als epidemiologisch goed gedocumenteerd zijn.
Voor de berekening van de aderverkalkingscore in Synapse wordt de gangbare SCORE-2-formule [1] (die gebruikmaakt van leeftijd, geslacht, systolische bloeddruk, totaalcholesterol en rookstatus) uitgebreid met andere pro-atherogene factoren. We kijken daarbij naar insulineresistentie, overmatig buikvet, chronische ontsteking, cholesterol, chronische nierinsufficiëntie, lichaamsbeweging, sedentariteit en stress . Door deze extra variabelen mee te nemen, kunnen we een meer holistisch risicoprofiel opstellen en vroegtijdig interventies inzetten.
10-jaarsrisico
SCORE2 [1] (Systematic COronary Risk Evaluation 2) is een gevalideerd risicomodel dat het 10-jaars risico op fatale en niet-fatale cardiovasculaire gebeurtenissen inschat bij personen van 40 tot 69 jaar oud. SCORE2-OP doet hetzelfde voor personen van 70 tot 89 jaar. Dit model bouwt voort op de oorspronkelijke SCORE-tabel en houdt rekening met leeftijd, geslacht, systolische bloeddruk, non-HDL cholesterol en rookstatus.
Bij Synapse hanteren we de volgende cut-offs [1]:
| Risico | <50 jaar | 50-69 jaar | >70 jaar |
|---|---|---|---|
| Laag | <2.5% | <5% | <7.5% |
| Matig | 2.5-7.5% | 5-10% | 7.5-15% |
| Hoog | >7.5% | >10% | >15% |
Een belangrijke beperking van SCORE2 is dat het risico op atherosclerose slechts over een periode van 10 jaar wordt geschat, terwijl atherosclerose een proces is dat zich over meerdere decennia ontwikkelt en al in de kindertijd kan beginnen. Hierdoor grijpen we vaak te laat in en laten we een grote kans op preventie liggen. Om dit te compenseren, kijkt Synapse ook naar aanvullende parameters die helpen het risico op atherosclerose nauwkeuriger in te schatten.
30-jaarsrisico
Om de onderschatting van het cardiovasculaire risico bij jongere populaties te corrigeren, maakt Synapse gebruik van de 30-year cardiovascular risk score [68], ontwikkeld op basis van de Framingham Heart Study. Dit model is toepasbaar tussen 20 en 59 jaar en biedt een langere tijdshorizon voor risicostratificatie.
De klinische meerwaarde van deze benadering ligt in de betere risicocommunicatie. Zo kan een jong individu met een 10-jaars risico van 2% (1 op 50) toch een 30-jaars risico van 12–15% (bijvoorbeeld 1 op 8) hebben. Deze langere tijdshorizon verhoogt aantoonbaar de motivatie voor leefstijlinterventies.
Bij Synapse hanteren we de volgende leeftijdsafhankelijke modelselectie:
- Jonger dan 20 jaar: geen cardiovasculaire risicoscore
- 20 tot 59 jaar: 30-jaars cardiovasculair risico
- 60 jaar en ouder: SCORE2 / SCORE2-OP
De cut-offs die we bij Synapse hanteren zijn:
| Risico | 30-jaars CVR |
|---|---|
| Laag risico | <12% |
| Intermediair risico | 12-40% |
| Hoog risico | >40% |
Nierfunctie
Chronische nierinsufficiëntie (CKD) wordt algemeen erkend als een belangrijke risicofactor voor atherosclerose [5], hoewel nog niet volledig duidelijk is in hoeverre deze relatie direct of indirect verloopt. Indirect draagt CKD bij aan het ontstaan van twee van de meest prominente risicofactoren voor het ontstaan van atherosclerose: lipidenstoornissen en hypertensie.
Via de opstapeling van diverse stoffen die de vaatwand kunnen irriteren zou CKD ook direct bijdragen aan het ontstaan van atherosclerose [5]. Deze metabolieten remmen onder andere de werking van stikstofmonoxidesynthase (NOS), waardoor vasodilatatie afneemt en vaatwandschade versnelt.
Homocysteïne
Verhoogde homocysteïne [70], [71] is geassocieerd met een verhoogde all-cause mortaliteit en met talrijke aandoeningen, in het bijzonder cardiovasculaire pathologie. Voor veneuze trombose, perifeer arterieel lijden, coronaire atherosclerose en beroerte wordt een onafhankelijke en deels causale relatie beschreven. De onderliggende mechanismen omvatten oxidatieve stress, inflammatie en endotheeldisfunctie, met verminderde beschikbaarheid van stikstofoxide.
Bij Synapse hanteren we de volgende cut-offs [70], [71]:
| Homocysteïne (μmol/L) | |
|---|---|
| Optimaal | ≤8 |
| Normaal | 8-10 |
| Licht verhoogd | 10-12 |
| Verhoogd | 12-16 |
| Sterk verhoogd | >16 |
Ontstekingen
Chronische inflammatie [5] (CI) verwijst naar een chronische, milde activatie van het immuunsysteem die zonder duidelijke infectieuze oorzaak in het lichaam aanwezig is. Deze vorm van ontsteking wordt gekenmerkt door een verhoogde productie van pro- inflammatoire cytokinen, zoals interleukine-6 (IL-6), tumornecrosefactor-alfa (TNF-α) en C- reactief proteïne (CRP).
Onderzoek heeft aangetoond dat CI een cruciale rol speelt bij het ontstaan en de progressie van atherosclerose [7] . Ontstekingsmediatoren bevorderen de dysfunctie van het endotheel, stimuleren de ophoping van immuun cellen in de vaatwand en dragen bij aan de instabiliteit van atherosclerotische plaques. Dit verhoogt het risico op cardiovasculaire complicaties zoals hartinfarct en beroerte.
Insulinegevoeligheid
Insulinegevoeligheid [8] is een cruciale determinant van de glucosehomeostase en metabole regulatie. Een afname in insulinegevoeligheid (insulineresistentie) leidt tot een compensatoire hyperinsulinemie door de β-cellen van de pancreas om euglycemie te handhaven. Dit proces bevindt zich op een continuüm van insulineresistentie naar prediabetes en uiteindelijk diabetes type 2, waarbij progressieve β-celdisfunctie resulteert in hyperglycemie en een verhoogd cardiovasculair risico.
Insulineresistentie is een sterk geassocieerde risicofactor voor atherosclerose en cardiovasculaire pathologieën [9], [10], [11], door de combinatie van metabole ontregeling en secundaire dyslipidemie met endotheeldisfunctie, pro-inflammatoire activatie en versnelde arteriële verkalking tot gevolg.
Buikomtrek
Een verhoogde hoeveelheid abdominaal vet is nauw verbonden met een verhoogd risico op atherosclerose. Overmatige vetophoping beïnvloedt verschillende risicofactoren, zoals bloeddruk, glucosespiegels, en het lipidenmetabolisme, en draagt bij aan systemische ontsteking. Adipocyten scheiden bovendien adipokines uit die de werking van endotheelcellen, arteriële gladde spiercellen en macrofagen in de vaatwand direct kunnen verstoren en zo verder bijdragen aan het ontstaan van atherosclerose [18], [19].
Beweging
Regelmatige fysieke activiteit heeft een beschermend effect op de bloedvaten doordat het de systemische inflammatie verlaagt, de endotheel functie verbetert en zo de atherosclerotische progressie vermindert [12], [13]. Epidemiologische studies tonen een inverse dosis-responsrelatie tussen de hoeveelheid fysieke activiteit en het cardiovasculaire risico [14].
Sedentariteit
Zitten wordt vaak het "nieuwe roken" genoemd en geldt als een onafhankelijke risicofactor voor atherosclerose. Inactiviteit leidt tot een verhoogde expressie van vasculaire NADPH-oxidase, wat resulteert in een grotere productie van reactieve zuurstofspecies (ROS) [15]. Deze extra oxidatieve stress verslechtert de endotheel dysfunctie en bevordert de atherosclerotische processen [13].
Stress
Chronische stress is een belangrijke leefstijlfactor die bijdraagt aan zowel het ontstaan als de progressie van atherosclerose [13]. Een plausibele verklaring hiervoor is dat stress het endotheel beschadigt, wat leidt tot de activatie van macrofagen en de vorming van schuimcellen. Zo worden atherosclerotische plaques in gang gezet en verder ontwikkeld. Daarbij spelen ontsteking, cel signalering, lipidenmetabolisme en endotheel functie een cruciale rol [16], [17].
Voorgeschiedenis
Een doorgemaakt hartinfarct, een coronaire stent of bypass, een ischemisch CVA of TIA en perifeer arterieel vaatlijden gelden samen als vastgestelde atherosclerotische hart- en vaatziekte (ASCVD). Ze delen hetzelfde mechanisme, atherosclerose met trombose, en plaatsen iemand volgens de ESC-richtlijn meteen in de categorie zeer hoog risico, zonder dat een risicoscore nodig is[74]. Ook onder behandeling blijft het restrisico reëel: na een eerste jaar zonder voorval krijgt nog ongeveer een op vijf binnen drie jaar een nieuw voorval, het hoogst na een recent coronair syndroom, bij vaatlijden in meerdere vaatbedden, diabetes en nierinsufficiëntie[75].
| Streefdoel secundaire preventie | Waarde |
|---|---|
| LDL-cholesterol | <1,4 mmol/L (55 mg/dL) en ≥50 % daling |
| Bovendruk | <130 mmHg indien verdragen |
| Overige | plaatjesremming, rookstop, beweging, hartrevalidatie |
De LDL-doelen komen uit de ESC/EAS-richtlijn dyslipidemie en bleven in de update van 2025 ongewijzigd[55], [73]. Een stent, bypass, infarct of CVA verandert in Synapse het uitgangspunt van de score voor aderverkalking; een TIA of perifeer vaatlijden wordt als voorgeschiedenis getoond.
Andere hart- en vaatproblemen
Wat een lid hier zelf invult (bijvoorbeeld voorkamerfibrillatie, hartfalen, een klepziekte of een aneurysma), wordt letterlijk getoond en niet in een berekening opgenomen. Deze aandoeningen zijn geen atherosclerose en tellen niet automatisch als vastgestelde ASCVD[74]. Bij voorkamerfibrillatie staat het beroerterisico centraal en beslist de CHA₂DS₂-VA-score over antistolling[76]; een aneurysma van de aorta is vaak wel een uiting van systemische atherosclerose en krijgt dezelfde strikte risicofactorcontrole[77]. Hartfalen maakt het risico, samen met een doorgemaakt vaatvoorval, zeer hoog[74].
Risico op hart- en vaatziekten
Deze factor vat het cardiovasculaire risico samen in vier treden (laag, gemiddeld, hoog, heel hoog). Tot 45 jaar steunt hij op het 30-jaarsrisico volgens Framingham, omdat de 10-jaarskans bij jonge volwassenen bijna altijd laag uitvalt, ook met duidelijke risicofactoren[78]. Vanaf 46 jaar steunt hij op SCORE2, of SCORE2-OP vanaf 70 jaar, met de leeftijdsafhankelijke ESC-grenzen[1], [79], [74]. Wie een vastgestelde hart- of vaatziekte heeft, staat meteen op de hoogste trede.
| Leeftijd | Laag tot matig | Hoog | Zeer hoog |
|---|---|---|---|
| <50 jaar | <2,5 % | 2,5 tot <7,5 % | ≥7,5 % |
| 50 tot 69 jaar | <5 % | 5 tot <10 % | ≥10 % |
| ≥70 jaar | <7,5 % | 7,5 tot <15 % | ≥15 % |
Chronische inflammatie
Ontsteking (inflammatie) is een natuurlijke afweerreactie van het lichaam tegen beschadiging of infectie. Bij acute inflammatie zien we een tijdelijke toename van pro-inflammatoire activiteit waardoor het immuunsysteem kortdurend geactiveerd wordt om de schadelijke prikkel uit te schakelen. Nadat er herstel optreedt, komt het immuun systeem weer tot rust.
Bij chronische laaggradige inflammatie daarentegen blijft het immuunsysteem langdurig onder het oppervlak actief. Dit kan niet alleen leiden tot aanhoudende weefselschade, maar ook tot verstoringen in de stofwisseling en hormonale balans. Op termijn vergroot deze sluimerende ontstekingsreactie het risico op een breed scala aan aandoeningen, zoals hart- en vaatziekten, diabetes, leververvetting, neurodegeneratieve ziekten en zelfs sommige vormen van kanker.
Hoe chronisch laaggradige inflammatie meten?
De meest bekende en gevoelige parameter voor het aantonen van een ontstekingsreactie is C-reactive proteïne (CRP). Ondanks dat dit acuut fase eiwit dat een goede eerste indicatie geeft, is de test op zichzelf te weinig specifiek om het risico op chronische, laaggradige inflammatie nauwkeurig te bepalen.
Als aanvulling op CRP kijkt Synapse daarom ook naar:
- Geaggregeerde scores die rekening houden met de onderverdeling van witte bloedcellen, bloedplaatjes en andere inflammatoire merkers
- Individuele biomarkers, zoals ferritine en urinezuur, om een completer beeld te krijgen van de ontstekingsstatus
- Leefstijlfactoren zoals ongezonde voeding, sedentariteit en andere omgevingsfactoren, die aan de basis liggen van het ontstaan en in stand houden van chronische ontsteking
Geaggregeerde scores
Omdat er in de literatuur geen consensus is over welke geaggregeerde biomerker de hoogste validiteit heeft voor het inschatten van chronische inflammatie maakt Synapse bij de score berekening gebruik van de drie meest uitvoerig beschreven scores.
INFLA score
Chronische laaggradige inflammatie is een belangrijke risicofactor voor cardio metabole aandoeningen en kan in een vroeg stadium worden opgespoord met de Low-Grade Inflammation Score (INFLA-score) [20], [21], [22].
De INFLA-score is een samengesteld meetinstrument dat vier componenten integreert:
- hs-CRP
- leukocyten
- bloedplaatjes
- granulocyt-lymfocytverhouding (som van neutrofielen, eosinofielen en basofielen)
Elke biomerker wordt in klassen ingedeeld aan de hand van decielen:
- Waarden in de hoogste decielen (7e–10e) krijgen een score van +1 tot +4.
- Waarden in de middelste decielen (5e–6e) krijgen een score van 0.
- Waarden in de laagste decielen (1e–4e) krijgen een score van -4 tot -1.
Door de scores van alle vier componenten op te tellen, ontstaat een totale INFLA-score die kan variëren van -16 tot +16. Een hogere score duidt op meer laaggradige ontsteking en een verhoogd risico op toekomstige cardio metabole problemen. Het routinematig bepalen van de INFLA-score bij volwassenen zonder bestaande cardio metabole aandoeningen kan bijdragen aan tijdige interventie en preventie van cardio metabole pathologie [22].
De cut-offs die we bij Synapse hanteren zijn:
| Risico | Score |
|---|---|
| Laag risico | ≤-5 |
| Intermediair risico | -5 tot -1 |
| Hoog risico | -1 tot 3 |
| Heel hoog risico | > 3 |
SII
De Systemic Inflammation Index (SII) [23], [24], [25] is een andere in de literatuur veel bestudeerde biomerker voor chronische inflammatie, die bovendien correleert met zowel totale als cardiovasculaire sterfte. Deze index wordt berekend met de volgende formule:
SII = (P × N) / L
Hier staat P voor de perifere bloedplaatjestelling (103/μL), N voor de absolute neutrofielentelling (103/μL) en L voor de absolute lymfocytentelling (103/μL). De resulterende eenheid van de SII is dus 103/μL. Een lagere SII-score duidt op een lager niveau van chronische inflammatie, waardoor de SII als bruikbare biomerker kan dienen voor het inschatten van het subklinische cardiovasculaire risico.
Er is geen consensus over de exacte afkapwaarden voor de SII. Bij Synapse is gekozen om de volgende cut-offs te hanteren:
| Risico | Score |
|---|---|
| Laag risico | ≤350 |
| Intermediair risico | 350 - 450 |
| Hoog risico | 450 - 600 |
| Heel hoog risico | > 600 |
SIRI
De Systemic inflammation response index (SIRI) [24], [26] is een derde geaggregeerde score die als biomarker kan worden ingezet bij de screening naar chronische inflammatie. Deze index vertoont, net als de INFLA-score en de SII, een correlatie met zowel totale als cardiovasculaire sterfte. De SIRI wordt berekend met de volgende formule:
SIRI = (N × M) / L
Hier staat N voor de neutrofielenconcentratie, M voor de monocytconcentratie en L voor de lymfocytenconcentratie. Om de juiste eenheden te bekomen, berekent Synapse
SIRI = ( N (%) × M (%) × leukocyten (/μL) ) / ( L (%) × 10⁵ )
Een hogere SIRI-score duidt op een hogere sluimerende ontstekingsactiviteit en een verhoogd cardiovasculair risico. Er is geen consensus over de exacte afkapwaarden voor de SIRI. Synapse heeft gekozen voor de volgende cut-offs:
| Risico | Score |
|---|---|
| Laag risico | ≤0.7 |
| Intermediair risico | 0.7 tot 0.99 |
| Hoog risico | 1 tot 1.5 |
| Heel hoog risico | >1.5 |
Individuele biomerkers
Vanwege het cruciale belang van chronische laaggradige inflammatie (CLI) bij de ontwikkeling van diverse chronische aandoeningen en het ontbreken van consensus over de meest valide geaggregeerde ontstekingsscores, heeft Synapse ervoor gekozen om naast de eerdergenoemde indices ook individuele inflammatoire biomerkers te evalueren.
hsCRP
C-reactive proteïne (CRP) [27], [28], [29], [30], [31] is een acute-fase reactant dat in de lever wordt geproduceerd als reactie op inflammatie. De high-sensitivity-variant (hs-CRP) is een goed beschreven biomerker met een hoge sensitiviteit voor chronische, laaggradige ontsteking op te sporen. High sensitive verwijst naar de veel lagere ondergrens (<0,6 mg/L) in vergelijking met de meeste standaard CRP-bepalingen (<6 mg/L). Een verhoogde hs-CRP-waarde wordt in talrijke studies gerelateerd aan een verhoogd risico op cardiovasculaire aandoeningen [32], [33], [34]. Doorgaans worden de volgende risicocategorieën voor chronische inflammatie en cardiovasculaire ziekte gehanteerd:
| Risico | Score |
|---|---|
| Laag risico | ≤1.0 mg/L |
| Intermediair risico | 1.0 - 3.0 mg/L |
| Hoog risico | 3.0 - 5.0 mg/L |
| Heel hoog risico | >5.0 mg/L |
Ferritine
Ferritine [35], [36], [37], [38] is een eiwit dat verantwoordelijk is voor de opslag van ijzer en bovendien fungeert als een acute-fase reactant doordat de concentratie stijgt bij inflammatie. Verschillende studies suggereren dat ferritine een rol kan spelen bij het aantonen van chronische laaggradige inflammatie en beargumenteren dat het als een prognostische biomarker kan dienen.
De cut-off waardes van ferritine die we bij Synapse hanteren zijn:
| Risico | Score | |
|---|---|---|
| Man | Vrouw | |
| Laag risico | ≤400 μg/L | ≤150 μg/L |
| Gestegen risico | >400 μg/L | >150 μg/L |
Deze afkapwaarden gelden voor de ontstekingsscore, die enkel een hoge ferritine bestraft. De kleur van de ferritinewaarde zelf heeft ook een ondergrens, omdat een lage ferritine op een uitgeputte ijzervoorraad wijst: tot 15 μg/L rood, tot 30 μg/L oranje, tot 45 μg/L geel. Het optimale bereik van de waarde is daardoor 45–400 μg/L bij mannen en 45–150 μg/L bij vrouwen.
Urinezuur
Urinezuur is een eindproduct van de purinestofwisseling en een bekende risicofactor voor atherosclerose en cardiometabole pathologie [39]. Daarnaast wordt hyperurikemie in verband gebracht met chronische ontsteking [40].
Verhoogde urinezuurwaarden kunnen onder andere oxidatieve stress en endotheel dysfunctie bevorderen, wat bijdraagt aan persisterende ontsteking en atherogenese. Hierdoor kan het meten van urinezuur helpen bij het inschatten van zowel cardiovasculair risico als chronische laaggradige ontsteking.
| Risico | Score |
|---|---|
| Laag risico | ≤6.8 mg/dL |
| Licht verhoogd | 6.8-7.9 mg/dL |
| Verhoogd | 7.9-9 mg/dL |
| Sterk verhoogd | >9 mg/dL |
Levensstijl factoren
Synapse brengt niet alleen de huidige ontstekingsstatus in kaart, maar houdt ook rekening met hoe levensstijlfactoren het toekomstige risico op chronische inflammatie beïnvloeden. Op basis van de literatuur zijn meerdere goed gedocumenteerde determinanten geselecteerd: Roken, ongezonde voeding en alcoholgebruik. Deze factoren dragen in belangrijke mate bij aan zowel het ontstaan als het in stand houden van laaggradige ontstekingsprocessen. <!-- chronische stress, verstoorde slaap, sedentarisme -->
Roken
Roken [41], [42] is een van de meest uitgesproken risicofactoren voor chronische inflammatie en cardiovasculaire ziekte. Tijdens het roken komen toxische verbindingen, waaronder vrije radicalen, in de bloedbaan terecht, wat leidt tot oxidatieve stress en activatie van immuun cellen.
Deze processen stimuleren de productie van pro-inflammatoire cytokinen en veroorzaken een persisterende ontstekingsreactie die de vaatwand beschadigt en de atherosclerotische processen versnelt.
Inflammatoire voeding
Voeding [43], [44] speelt een grote rol bij chronische inflammatie, vooral wanneer er te veel geraffineerde koolhydraten, bewerkte producten en te weinig vezels worden geconsumeerd. Deze patronen verstoren de darmflora, bevorderen insulineresistentie en verhogen pro-inflammatoire cytokinen.
Binnen Synapse verstaan we onder "inflammatoire voeding" een eetpatroon dat rijk is aan ongezonde vetten, geraffineerde suikers en bewerkte voeding, en arm aan vezels.
Alcohol
Chronisch of overmatig alcoholgebruik [45], [46] kan leverschade veroorzaken en de darmwanddoorlaatbaarheid verhogen, waardoor bacteriële endotoxinen gemakkelijker in de bloedbaan terechtkomen. Dit leidt tot een voortdurende productie van pro-inflammatoire mediatoren en bevordert oxidatieve stress in verschillende organen, wat bijdraagt aan het ontstaan en in stand houden van chronische inflammatie.
Slaap
Een verstoorde slaap kan leiden tot een verhoging van systemische ontstekingsmarkers [47], [48]. Bij een slechte nachtrust raakt de normale resolutie van ontstekingsprocessen uit balans, omdat belangrijke moleculen die het herstel bevorderen (onder meer resolvines) langdurig verlaagd blijven. Hierdoor kan een sluimerende ontsteking ontstaan die het risico op diverse immunologisch gemedieerde aandoeningen vergroot.
Bloeddruk
Een verhoogde bloeddruk [49], [50] is een van de belangrijkste risicofactoren voor cardiovasculaire aandoeningen. Al bij licht verhoogde waarden kan er schade ontstaan aan de vaatwand, wat op termijn leidt tot structurele veranderingen, endotheel disfunctie en progressieve atherosclerose.
| ACC / AHA HTN categorieën [51] | SBP (mmHg) | DBP (mmHg) |
|---|---|---|
| Normaal | ≤120 | ≤80 |
| Licht gestegen | 120-130 | 80-85 |
| Gestegen | 130-135 | 85-90 |
| Stadium 1 | 135-140 | 90-95 |
| Stadium 2 | >140 | >95 |
Nierfunctie
Een verminderde nierfunctie [52] is een belangrijke, vaak onderschatte risicofactor voor hart- en vaatziekten. Nierinsufficiëntie gaat gepaard met een opstapeling van afvalstoffen, een ontregelde vocht- en elektrolytenbalans, en hormonale veranderingen die kunnen bijdragen aan hypertensie, chronische inflammatie en atherosclerose. Synapse beoordeelt de nierfunctie op basis van de CKD-EPI 2021-formule (zonder ras) [53].
| Stadium | eGFR (ml/min/1.73m2) |
|---|---|
| G1 | ≥90 |
| G2 | 60 - 89 |
| G3a | 45 - 59 |
| G3b | 30 - 44 |
| G4 | 15 - 29 |
| G5 | <15 |
ACR
De albumine-creatinine ratio (ACR) [69] is een biomerker die de hoeveelheid albumine corrigeert voor de urineconcentratie via creatinine. De ACR detecteert vroege glomerulaire schade, vaak nog voor een daling van de eGFR zichtbaar wordt. Albuminurie is bovendien een onafhankelijke voorspeller van cardiovasculaire morbiditeit en mortaliteit, waardoor de ACR niet alleen de nierfunctie maar ook het globale vasculaire risico verfijnt.
Bij Synapse hanteren we de volgende ACR-categorieën [69]:
| Categorie | ACR (mg/g) | Beschrijving |
|---|---|---|
| A1 | <30 | Normaal tot licht verhoogd |
| A2 | 30-300 | Matig verhoogd |
| A3 | >300 | Ernstig verhoogd |
Door de eGFR en ACR te combineren ontstaat de KDIGO-risicomatrix [69], die een nauwkeurigere risicostratificatie biedt dan eGFR alleen. Onderstaande tabel toont het bijbehorende risiconiveau per combinatie van eGFR-stadium en ACR-categorie.
| eGFR / Risico | A1 (<30) | A2 (30-300) | A3 (>300) |
|---|---|---|---|
| G1 (≥90) | Laag | Matig | Hoog |
| G2 (60-89) | Laag | Matig | Hoog |
| G3a (45-59) | Matig | Hoog | Heel hoog |
| G3b (30-44) | Hoog | Hoog | Heel hoog |
| G4 (15-29) | Hoog | Heel hoog | Heel hoog |
| G5 (<15) | Heel hoog | Heel hoog | Heel hoog |
Cholesterol
Hypercholesterolemie is een welbekende en goed gedocumenteerde risicofactor voor cardiovasculaire aandoeningen, omdat het direct bijdraagt aan de ontwikkeling van atherosclerose.
Om de interpretatie voor patiënten te vergemakkelijken, maakt Synapse gebruik van één samengestelde cholesterolscore waarin meerdere relevante parameters worden geïntegreerd. Deze omvatten non-HDL-cholesterol, HDL-cholesterol, apoB en Lp(a).
Non HDL cholesterol
Cholesterol is een vetstof die wordt geproduceerd in de lever en vervolgens in het bloed wordt getransporteerd via diverse lipoproteïnen. Omdat de atherogene lipoproteïnen niet alleen LDL omvatten, maar ook IDL en VLDL, biedt non-HDL-cholesterol een meer nauwkeurige schatting van het atherogene lipidenprofiel dan LDL alleen [54].
Non-HDL = totaal cholesterol - HDL
In lijn met de 2025 focused update van de ESC/EAS-richtlijnen [73] hanteert Synapse risico-afhankelijke cut-offs voor non-HDL-cholesterol. Per persoon wordt een cardiovasculaire risicocategorie bepaald. Eén criterium volstaat om in een categorie te vallen; de hoogste categorie is bepalend:
Heel hoog risico
- SCORE2/SCORE2-OP >20%
- Ernstige nierinsufficiëntie op basis van eGFR en ACR
- Gedocumenteerd atherosclerotisch vaatlijden (coronair, cerebrovasculair of perifeer)
- Diabetes mellitus met orgaanschade (op basis van eGFR en ACR)
- Diabetes mellitus met ≥3 cardiovasculaire risicofactoren (roken, hypertensie, dyslipidemie, obesitas)
- Type 1 diabetes met duur >20 jaar
- Familiale hypercholesterolemie met een extreem verhoogde risicofactor
- Eén extreem verhoogde risicofactor: totaal cholesterol >310 mg/dL, LDL >190 mg/dL of bloeddruk >180/110 mmHg
Hoog risico
- SCORE2/SCORE2-OP 10-20%
- Matige nierinsufficiëntie op basis van eGFR en ACR
- Diabetes mellitus zonder orgaanschade, met duur ≥10 jaar of een bijkomende risicofactor
- Familiale hypercholesterolemie zonder extreem verhoogde risicofactoren
Matig risico
- SCORE2/SCORE2-OP boven de leeftijdsafhankelijke drempel maar <10%
- Overige diabetes mellitus (korte duur, geen bijkomende risicofactoren, geen orgaanschade)
Laag risico
Geen van de bovengenoemde criteria van toepassing, of een SCORE2/SCORE2-OP [1] onder de leeftijdsafhankelijke drempel (<2,5% bij <50 jaar, <5% bij 50-69 jaar, <7,5% bij ≥70 jaar).
De hoogste risicocategorie uit alle criteria bepaalt de uiteindelijke classificatie. Op basis hiervan worden de volgende non-HDL cut-offs gehanteerd [55], [73]:
| Non-HDL | Laag | Matig | Hoog | Heel hoog |
|---|---|---|---|---|
| Laag | <146 | <130 | <100 | <85 |
| Matig | 146 - 160 | 130 - 146 | 100 - 130 | 85 - 100 |
| Hoog | 160 - 180 | 146 - 160 | 130 - 146 | 100 - 130 |
| Heel hoog | >180 | >160 | >146 | >130 |
ApoB
ApoB is het structurele eiwit op alle atherogene lipoproteïnen (LDL, VLDL, IDL en Lp(a)); elk deeltje draagt precies één ApoB-molecuul. De ApoB-concentratie weerspiegelt daarom rechtstreeks het aantal atherogene deeltjes in de circulatie, terwijl (non-)HDL-cholesterol vooral de cholesterolmassa binnen die deeltjes weergeeft. Recent onderzoek laat zien dat ApoB daardoor een betere voorspeller van atherosclerotisch risico is dan non-HDL-cholesterol[55].
De hoeveelheid cholesterol zegt niets over deeltjesgrootte of -aantal: veel kleine, cholesterolarme LDL-deeltjes kunnen een normale non-HDL-C opleveren, maar wel een hoog ApoB en dus een hoger atherogeen risico. ApoB vangt deze discordantie wél en correleert daardoor sterker met klinische uitkomsten dan non-HDL-C.
Bij Synapse is gekozen om de volgende cut-offs[56] te hanteren:
| Risico | Apo B |
|---|---|
| Laag | ≤100 |
| Intermediair | 100-120 |
| Hoog | 120-130 |
| Heel hoog | >130 |
HDL cholesterol
High-density lipoproteïne (HDL) wordt in de literatuur beschreven als een beschermende factor tegen cardiovasculaire aandoeningen [55], omdat het een cruciale rol speelt in het recycleren van cholesterol vanuit perifere weefsels naar de lever. Over het algemeen wordt een hoger HDL-gehalte geassocieerd met een lager cardiovasculair risico. Hoewel exacte afkapwaarden kunnen variëren per richtlijn, geldt doorgaans [57]:
| Risico | HDL (mg/dL) | |
|---|---|---|
| Man | Vrouw | |
| Laag | 60-90 | 60-90 |
| Intermediair | 50-60 | 50-60 |
| Hoog | 40-50 | 45-50 |
| Heel hoog | <40 of >90 | <45 of >90 |
Ook een heel hoog HDL (boven 90 mg/dL) wordt geassocieerd met een verhoogd risico en wordt daarom als hoogrisico gescoord.
Lp(a)
Lipoproteïne(a) [Lp(a)] is een lipoproteïndeeltje dat zowel apoB100 als apolipoproteïne(a) bevat en wordt voor 70–90% genetisch bepaald. Verhoogde Lp(a)-niveaus vormen een onafhankelijke en causale risicofactor voor atherosclerotische hart- en vaatziekten, vooral omdat ze atherogenese, inflammatie en trombose kunnen bevorderen. Anders dan LDL- cholesterol en apoB, blijft een hoge Lp(a)-concentratie het risico op cardiovasculaire aandoeningen verhogen, zelfs wanneer LDL en apoB verlaagd zijn [60].
Hoewel onderzoek uit bijvoorbeeld de UK Biobank [61] laat zien dat een Lp(a)-waarde boven 30 nmol/L al geassocieerd is met een toegenomen cardiovasculair risico, ontbreken er tot op heden universeel gestandaardiseerde meetmethoden en richtlijnen voor zowel diagnose als behandeling [62]. Synapse neemt Lp(a) daarom apart mee in de cholesterolscore, zodat mensen met een verhoogde Lp(a)-waarde tijdig geïdentificeerd en opgevolgd kunnen worden.
Bij Synapse hanteren we de volgende cut-offs [61]:
| Risico | Lp(a) (nmol/l) |
|---|---|
| Laag | ≤75 |
| Intermediair | 75-125 |
| Hoog | 125-188 |
| Heel hoog | >188 |
Risicocategorie
De risicocategorie bepaalt welke streefwaarden gelden voor LDL, non-HDL en ApoB. Ze volgt de ESC/EAS-richtlijn: vastgestelde ASCVD, diabetes met orgaanschade of langdurige type 1-diabetes, ernstige nierinsufficiëntie en familiale hypercholesterolemie met een bijkomende risicofactor plaatsen iemand hoog of zeer hoog; bij ogenschijnlijk gezonde mensen beslist SCORE2[55], [1]. Ook één sterk verhoogde risicofactor (totaal cholesterol >8 mmol/L, LDL >4,9 mmol/L of bloeddruk ≥180/110 mmHg) volstaat voor minstens een hoge categorie[55]; Synapse plaatst die situatie bij zeer hoog risico, omdat de afwijkende waarde meteen aandacht vraagt. Laag risico wordt niet als factor getoond.
| Categorie | LDL | Non-HDL | ApoB |
|---|---|---|---|
| Laag | <3,0 mmol/L (116 mg/dL) | ||
| Matig | <2,6 mmol/L (100 mg/dL) | <3,4 mmol/L (130 mg/dL) | <100 mg/dL |
| Hoog | <1,8 mmol/L (70 mg/dL) en ≥50 % daling | <2,6 mmol/L (100 mg/dL) | <80 mg/dL |
| Zeer hoog | <1,4 mmol/L (55 mg/dL) en ≥50 % daling | <2,2 mmol/L (85 mg/dL) | <65 mg/dL |
De focused update van 2025 liet deze doelen ongewijzigd[73].
Bloedarmoede
Bloedarmoede wordt gescoord op het hemoglobine, met een grens per geslacht: onder 13,0 g/dL bij mannen en onder 12,0 g/dL bij vrouwen. Vanaf de grens is er geen score.
| Hemoglobine | Score | Label |
|---|---|---|
| Van 11,0 g/dL tot de grens | 40 | Lichte bloedarmoede |
| 8,0 tot onder 11,0 g/dL | 60 | Bloedarmoede |
| Onder 8,0 g/dL | 100 | Ernstige bloedarmoede |
Het hemoglobine zelf kleurt rood onder 8,0 g/dL, oranje onder 11,0, geel tot 13,5 g/dL bij mannen tot en met 65 jaar (13,0 boven 65) en tot 12,0 bij vrouwen tot en met 65 jaar (boven 65 jaar tot 13,0, net als bij mannen), en groen tot 16,5 g/dL bij mannen en 16,0 bij vrouwen; daarboven is het opnieuw geel en vanaf 18,5 g/dL (mannen) of 16,5 g/dL (vrouwen) oranje. Bij vrouwen boven 65 jaar blijft de grens voor de score 12,0 g/dL: 12,0 tot 12,9 g/dL is geel zonder score. Het MCV is groen van 80 tot 100 fL en geel erbuiten. De hersenscore houdt haar eigen hemoglobinegrenzen (13,4 en 12,2 g/dL).
Het hematocriet (het aandeel rode bloedcellen) verschijnt voor de patiënt enkel boven 49 % bij mannen en 48 % bij vrouwen, in oranje; er is geen gele zone, een laag hematocriet heeft geen kleur en het telt niet mee in de digitale tweeling. Voor de arts waarschuwt Synapse bij een te hoog hemoglobine of hematocriet (de WHO-criteria voor polycythaemia vera, 5e editie: hemoglobine boven 16,5 g/dL bij mannen of 16,0 bij vrouwen, of hematocriet boven 49 % of 48 %): een eerste waarde vraagt om herhaling bij een goed gehydrateerde patiënt en om na te gaan of er een secundaire oorzaak is (roken, slaapapneu, testosteron, SGLT2-remmers, diuretica); een bevestigde waarde zonder verklaring vraagt om erytropoëtine en JAK2 V617F of een verwijzing naar hematologie. Een tweede, afzonderlijke waarschuwing voor de arts signaleert een mogelijke hemoglobinopathie bij een MCV onder 80 fL met ferritine van minstens 30 μg/L en CRP van hoogstens 5 mg/L, ongeacht het hemoglobine; de Mentzer-index (MCV gedeeld door het aantal rode bloedcellen) kiest enkel de formulering: onder 13 past hemoglobine-elektroforese, vanaf 13 wordt hemoglobineanalyse overwogen naast andere oorzaken. Een normaal HbA2 sluit dragerschap van alfa-thalassemie niet uit.
Oorzaak van bloedarmoede
Bij een hemoglobine van 8,0 g/dL tot de grens voor het geslacht zoekt Synapse in de bloedwaarden naar de meest waarschijnlijke oorzaak. Het MCV stuurt de eerste stap (microcytair is een MCV onder 80 fL, macrocytair boven 100 fL): microcytair wijst meestal op ijzertekort, macrocytair op een tekort aan vitamine B12 of foliumzuur[80]. Een ferritine onder 30 μg/L bevestigt ijzertekort; bij ontsteking of nierlijden verschuift die grens naar ongeveer 100 μg/L en helpen een lage transferrinesaturatie en een verhoogd CRP om ijzertekort van anemie van ontsteking te onderscheiden[80], [81]. Een eGFR onder 45 wijst op renale anemie.
| Mogelijke oorzaak | Patroon in de bloedwaarden |
|---|---|
| IJzertekort | laag MCV met laag ferritine, of laag MCV met laag serumijzer en hoog transferrine |
| IJzertekort of chronische ziekte | laag MCV, verhoogd CRP, laag ijzer en transferrine, ferritine <100 μg/L |
| Chronische ziekte | zelfde patroon met ferritine ≥100 μg/L |
| Nierinsufficiëntie | eGFR <45 mL/min/1,73 m² |
| Vitaminetekort | hoog MCV met laag B12 of foliumzuur |
| Onbekend | geen patroon past; de factor wordt dan niet getoond |
IJzertekort zonder duidelijke verklaring vraagt onderzoek van het maag-darmkanaal: de BSG adviseert gastroscopie en colonoscopie bij mannen en bij vrouwen na de menopauze, en coeliakieserologie bij iedereen[82]. De AGA-richtlijn hanteert daarbij een ferritinegrens van 45 μg/L[83]. Bij een hemoglobine onder 8,0 g/dL toont Synapse geen oorzaak maar enkel het hemoglobine, omdat dan snelle klinische evaluatie voorgaat.
Ontwikkeld en getoetst met de medische adviesraad van Synapse.
Referenties
- [1]SCORE2 working group and ESC Cardiovascular Risk Collaboration. SCORE2 risk prediction algorithms: new models to estimate 10-year risk of cardiovascular disease in Europe. Eur Heart J 42, 2439–2454 (2021). SCORE2-OP working group and ESC Cardiovascular Risk Collaboration. SCORE2-OP risk prediction algorithms: estimating incident cardiovascular event risk in older persons in four geographical risk regions. Eur Heart J 42, 2455–2467 (2021). doi.org/10.1093/eurheartj/ehab309
- [2]Quispe, R. et al. Total cholesterol/HDL-cholesterol ratio discordance with LDL- cholesterol and non-HDL-cholesterol and incidence of atherosclerotic cardiovascular disease in primary prevention: The ARIC study. Eur J Prev Cardiol 27, 1597–1605 (2020). doi.org/10.1177/2047487319862401
- [3]Zhou, D., Liu, X., Lo, K., Huang, Y. & Feng, Y. The effect of total cholesterol/high-density lipoprotein cholesterol ratio on mortality risk in the general population. Front Endocrinol (Lausanne) 13, (2022). doi.org/10.3389/fendo.2022.1012383
- [4]Xiao, B. et al. A non-linear connection between the total cholesterol to high-density lipoprotein cholesterol ratio and stroke risk: a retrospective cohort study from the China Health and Retirement Longitudinal Study. Eur J Med Res 29, (2024). doi.org/10.1186/s40001-024-01769-9
- [5]Mathew, R. O. et al. Diagnosis and management of atherosclerotic cardiovascular disease in chronic kidney disease: a review. Kidney International vol. 91 797–807 (2017). doi.org/10.1016/j.kint.2016.09.049
- [6]Furman, D. et al. Chronic inflammation in the etiology of disease across the life span. Nat Med 25, 1822–1832 (2019). doi.org/10.1038/s41591-019-0675-0
- [7]Ye, Z. et al. Systemic immune-inflammation index as a potential biomarker of cardiovascular diseases: A systematic review and meta-analysis. Frontiers in Cardiovascular Medicine vol. 9 (2022). doi.org/10.3389/fcvm.2022.933913
- [8]James, D. E., Stöckli, J. & Birnbaum, M. J. The aetiology and molecular landscape of insulin resistance. Nat Rev Mol Cell Biol 22, 751–771 (2021) doi.org/10.1038/s41580-021-00390-6
- [9]Lee, J. H., Jeon, S., Joung, B., Lee, H. S. & Kwon, Y. J. Associations of Homeostatic Model Assessment for Insulin Resistance Trajectories with Cardiovascular Disease Incidence and Mortality. Arterioscler Thromb Vasc Biol 43, 1719–1728 (2023). doi.org/10.1161/ATVBAHA.123.319200
- [10]Zhang, Y. et al. Associations of non-insulin-based insulin resistance indices with presence and extent of multi-territorial atherosclerosis: A cross-sectional study. J Clin Lipidol (2024) doi.org/10.1016/j.jacl.2024.09.011
- [11]Scott, D. A., Ponir, C., Shapiro, M. D. & Chevli, P. A. Associations between insulin resistance indices and subclinical atherosclerosis: A contemporary review. American Journal of Preventive Cardiology vol. 18 (2024). doi.org/10.1016/j.ajpc.2024.100676
- [12]Palmefors, H., DuttaRoy, S., Rundqvist, B. & Börjesson, M. The effect of physical activity or exercise on key biomarkers in atherosclerosis – A systematic review. Atherosclerosis 235, 150–161 (2014). doi.org/10.1016/j.atherosclerosis.2014.04.026
- [13]Schmidt-Trucksäss, A., Lichtenstein, A. H. & von Känel, R. Lifestyle factors as determinants of atherosclerotic cardiovascular health. Atherosclerosis 395, 117577 (2024). doi.org/10.1016/j.atherosclerosis.2024.117577
- [14]Kazemi, A. et al. Leisure-time and occupational physical activity and risk of cardiovascular disease incidence: a systematic-review and dose-response meta- analysis of prospective cohort studies. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity vol. 21 (2024). doi.org/10.1186/s12966-024-01593-8
- [15]Laufs, U. et al. Physical inactivity increases oxidative stress, endothelial dysfunction, and atherosclerosis. Arterioscler Thromb Vasc Biol 25, 809–814 (2005). doi.org/10.1161/01.ATV.0000158311.24443.af
- [16]Gao, S. et al. Recent Progress of Chronic Stress in the Development of Atherosclerosis. Oxidative Medicine and Cellular Longevity vol. 2022 (2022). doi.org/10.1155/2022/4121173
- [17]Yao, B. C. et al. Chronic stress: a critical risk factor for atherosclerosis. Journal of International Medical Research vol. 47 1429–1440 (2019). doi.org/10.1177/0300060519826820
- [18]Fantuzzi, G. & Mazzone, T. Adipose tissue and atherosclerosis: Exploring the connection. Arteriosclerosis, Thrombosis, and Vascular Biology vol. 27 996–1003 (2007). doi.org/10.1161/ATVBAHA.106.131755
- [19]Neeland, I. J. et al. Visceral and ectopic fat, atherosclerosis, and cardiometabolic disease: a position statement. Lancet Diabetes Endocrinol 7, 715–725 (2019) doi.org/10.1016/S2213-8587(19)30084-1
- [20]Bonaccio, M. et al. A score of low-grade inflammation and risk of mortality: Prospective findings from the moli-sani study. Haematologica 101, 1434–1441 (2016). doi.org/10.3324/haematol.2016.144055
- [21]Liu, S. & Gu, Y. INFLA score: a novel inflammatory marker for assessing cardiometabolic disease risk in obese individuals. Diabetology and Metabolic Syndrome 16, (2024). doi.org/10.1186/s13098-024-01396-8
- [22]Cheng, W., Du, Z. & Lu, B. Chronic low-grade inflammation associated with higher risk and earlier onset of cardiometabolic multimorbidity in middle-aged and older adults: a population-based cohort study. Sci Rep 14, 22635 (2024). doi.org/10.1038/s41598-024-72988-7
- [23]Ye, Z. et al. Systemic immune-inflammation index as a potential biomarker of cardiovascular diseases: A systematic review and meta-analysis. Frontiers in Cardiovascular Medicine vol. 9 (2022). doi.org/10.3389/fcvm.2022.933913
- [24]Xia, Y. et al. Systemic Immune Inflammation Index (SII), System Inflammation Response Index (SIRI) and Risk of All-Cause Mortality and Cardiovascular Mortality: A 20-Year Follow-Up Cohort Study of 42,875 US Adults. J Clin Med 12, (2023). doi.org/10.3390/jcm12031128
- [25]Wang, H., Nie, H., Bu, G., Tong, X. & Bai, X. Systemic immune-inflammation index (SII) and the risk of all-cause, cardiovascular, and cardio-cerebrovascular mortality in the general population. Eur J Med Res 28, (2023). doi.org/10.1186/s40001-023-01529-1
- [26]Kong, F. et al. System inflammation response index: a novel inflammatory indicator to predict all-cause and cardiovascular disease mortality in the obese population. Diabetol Metab Syndr 15, (2023). doi.org/10.1186/s13098-023-01178-8
- [27]Sengelov, M. et al. Preventive Cardiology-Risk Factors and Prevention. https://academic.oup.com/eurheartj/article/45/Supplement_1/ehae666.2773/7835246.
- [28]Banait, T., Wanjari, A., Danade, V., Banait, S. & Jain, J. Role of High-Sensitivity C- reactive Protein (Hs-CRP) in Non-communicable Diseases: A Review. Cureus (2022) doi.org/10.7759/cureus.30225
- [29]Ridker, P. M. High-sensitivity C-reactive protein and cardiovascular risk: rationale for screening and primary prevention. Am J Cardiol 92, 17–22 (2003). doi.org/10.1016/s0002-9149(03)00774-4
- [30]Amezcua-Castillo, E. et al. C-Reactive Protein: The Quintessential Marker of Systemic Inflammation in Coronary Artery Disease—Advancing toward Precision Medicine. Biomedicines vol. 11 (2023). doi.org/10.3390/biomedicines11092444
- [31]Musunuru, K. et al. The use of high-sensitivity assays for C-reactive protein in clinical practice. Nature Clinical Practice Cardiovascular Medicine vol. 5 621–635 (2008). doi.org/10.1038/ncpcardio1322
- [32]Ridker, P. M. C-Reactive Protein. Circulation 108, (2003). doi.org/10.1161/01.CIR.0000093381.57779.67
- [33]Pearson, T. A. et al. Markers of inflammation and cardiovascular disease: Application to clinical and public health practice: A statement for healthcare professionals from the centers for disease control and prevention and the American Heart Association. Circulation vol. 107 499–511 (2003). doi.org/10.1161/01.CIR.0000052939.59093.45
- [34]Wilson Jennifer Robinson, P. W. et al. 2013 ACC/AHA Guideline on the Assessment of Cardiovascular Risk: A Report of the. 11, (2013).
- [35]Kell, D. B. & Pretorius, E. Serum ferritin is an important inflammatory disease marker, as it is mainly a leakage product from damaged cells. Metallomics vol. 6 748–773 (2014). doi.org/10.1039/c3mt00347g
- [36]Kernan, K. F. & Carcillo, J. A. Hyperferritinemia and inflammation. Int Immunol 29, 401–409 (2017). doi.org/10.1093/intimm/dxx031
- [37]Wang, W., Knovich, M. A., Coffman, L. G., Torti, F. M. & Torti, S. V. Serum ferritin: Past, present and future. Biochimica et Biophysica Acta - General Subjects vol. 1800 760– 769 (2010). doi.org/10.1016/j.bbagen.2010.03.011
- [38]Khan, A., Khan, W. M., Ayub, M., Humayun, M. & Haroon, M. Ferritin Is a Marker of Inflammation rather than Iron Deficiency in Overweight and Obese People. J Obes 2016, (2016). doi.org/10.1155/2016/1937320
- [39]Kimura, Y., Tsukui, D. & Kono, H. Uric acid in inflammation and the pathogenesis of atherosclerosis. International Journal of Molecular Sciences vol. 22 (2021). doi.org/10.3390/ijms222212394
- [40]Spiga, R. et al. Uric Acid Is Associated With Inflammatory Biomarkers and Induces Inflammation Via Activating the NF-κB Signaling Pathway in HepG2 Cells. Arterioscler Thromb Vasc Biol 37, 1241–1249 (2017). doi.org/10.1161/ATVBAHA.117.309128
- [41]Elisia, I. et al. The effect of smoking on chronic inflammation, immune function and blood cell composition. Sci Rep 10, (2020). doi.org/10.1038/s41598-020-76556-7
- [42]Derella, C. C. et al. Smoking cessation reduces systemic inflammation and circulating endothelin-1. Sci Rep 11, (2021). doi.org/10.1038/s41598-021-03476-5
- [43]Koelman, L., Egea Rodrigues, C. & Aleksandrova, K. Effects of Dietary Patterns on Biomarkers of Inflammation and Immune Responses: A Systematic Review and Meta-Analysis of Randomized Controlled Trials. Advances in Nutrition vol. 13 101–115 (2022). doi.org/10.1093/advances/nmab086
- [44]Dias, J. A. et al. A high quality diet is associated with reduced systemic inflammation in middle-aged individuals. Atherosclerosis 238, 38–44 (2015). doi.org/10.1016/j.atherosclerosis.2014.11.006
- [45]González-Reimers, E., Santolaria-Fernández, F., Martín-González, M. C., Fernández- Rodríguez, C. M. & Quintero-Platt, G. Alcoholism: A systemic proinflammatory condition. World Journal of Gastroenterology vol. 20 14660–14671 (2014). doi.org/10.3748/wjg.v20.i40.14660
- [46]Adams, C., Conigrave, J. H., Lewohl, J., Haber, P. & Morley, K. C. Alcohol use disorder and circulating cytokines: A systematic review and meta-analysis. Brain Behav Immun 89, 501–512 (2020). doi.org/10.1016/j.bbi.2020.08.002
- [47]Irwin, M. R., Olmstead, R. & Carroll, J. E. Sleep Disturbance, Sleep Duration, and Inflammation: A Systematic Review and Meta-Analysis of Cohort Studies and Experimental Sleep Deprivation. Biol Psychiatry 80, 40–52 (2016). doi.org/10.1016/j.biopsych.2015.05.014
- [48]Engert, L. C., Mullington, J. M. & Haack, M. Prolonged experimental sleep disturbance affects the inflammatory resolution pathways in healthy humans. Brain Behav Immun 113, 12–20 (2023). doi.org/10.1016/j.bbi.2023.06.018
- [49]Williams, B. et al. 2018 ESC/ESH Guidelines for themanagement of arterial hypertension. European Heart Journal vol. 39 3021–3104 (2018). doi.org/10.1093/eurheartj/ehy339
- [50]McEvoy, J. W. et al. 2024 ESC Guidelines for the management of elevated blood pressure and hypertension. Eur Heart J 45, 3912–4018 (2024) doi.org/10.1093/eurheartj/ehae178
- [51]Whelton, P. K. et al. 2017 ACC/AHA/AAPA/ABC/ACPM/AGS/APhA/ASH/ASPC/NMA/PCNA Guideline for the Prevention, Detection, Evaluation, and Management of High Blood Pressure in Adults: A Report of the American College of Cardiology/American Heart Association Task Force on Clinical Practice Guidelines. J Am Coll Cardiol 71, e127–e248 (2018) doi.org/10.1016/j.jacc.2017.11.006
- [52]Jankowski, J., Floege, J., Fliser, D., Böhm, M. & Marx, N. Cardiovascular Disease in Chronic Kidney Disease Pathophysiological Insights and Therapeutic Options. Circulation vol. 143 1157–1172 (2021). doi.org/10.1161/CIRCULATIONAHA.120.050686
- [53]Inker, L. A. et al. New Creatinine- and Cystatin C–Based Equations to Estimate GFR without Race. N Engl J Med 385, 1737–1749 (2021). doi.org/10.1056/NEJMoa2102953
- [54]Jung, E., Kong, S. Y., Ro, Y. S., Ryu, H. H. & Shin, S. Do. Serum Cholesterol Levels and Risk of Cardiovascular Death: A Systematic Review and a Dose-Response Meta- Analysis of Prospective Cohort Studies. International Journal of Environmental Research and Public Health vol. 19 (2022). doi.org/10.3390/ijerph19148272
- [55]Mach, F. et al. 2019 ESC/EAS Guidelines for the management of dyslipidaemias: lipid modification to reduce cardiovascular risk. Eur Heart J 41, 111–188 (2020). doi.org/10.1093/eurheartj/ehz455
- [56]Glavinovic, T. et al. Physiological Bases for the Superiority of Apolipoprotein B Over Low-Density Lipoprotein Cholesterol and Non–HighDensity Lipoprotein Cholesterol as a Marker of Cardiovascular Risk. J Am Heart Assoc 11, (2022). doi.org/10.1161/JAHA.122.025858
- [57]Stone, N. J. et al. 2013 ACC/AHA Guideline on the Treatment of Blood Cholesterol to Reduce Atherosclerotic Cardiovascular Risk in Adults. J Am Coll Cardiol 63, 2889–2934 (2014). doi.org/10.1016/j.jacc.2013.11.002
- [58]Chen, Y. et al. Triglyceride to high-density lipoprotein cholesterol ratio and cardiovascular events in the general population: A systematic review and meta-analysis of cohort studies. Nutrition, Metabolism and Cardiovascular Diseases 32, 318–329 (2022). doi.org/10.1016/j.numecd.2021.11.005
- [59]Calling, S., Johansson, S. E., Wolff, M., Sundquist, J. & Sundquist, K. The ratio of total cholesterol to high density lipoprotein cholesterol and myocardial infarction in Women’s health in the Lund area (WHILA): A 17-year follow-up cohort study. BMC Cardiovasc Disord 19, (2019). doi.org/10.1186/s12872-019-1228-7
- [60]Bhatia, H. S. et al. Independence of Lipoprotein(a) and Low-Density Lipoprotein Cholesterol–Mediated Cardiovascular Risk: A Participant-Level Meta-Analysis. Circulation 151, 312–321 (2025). doi.org/10.1161/CIRCULATIONAHA.124.069556
- [61]Kronenberg, F. et al. Frequent questions and responses on the 2022 lipoprotein(a) consensus statement of the European Atherosclerosis Society. Atherosclerosis 374, 107–120 (2023). doi.org/10.1016/j.atherosclerosis.2023.04.012
- [62]Reyes-Soffer, G. et al. Lipoprotein(a): A Genetically Determined, Causal, and Prevalent Risk Factor for Atherosclerotic Cardiovascular Disease: A Scientific Statement From the American Heart Association. Arterioscler Thromb Vasc Biol 42, (2022). doi.org/10.1161/ATV.0000000000000147
- [63]Miller, M. et al. Triglycerides and cardiovascular disease: A scientific statement from the American Heart Association. Circulation 123, 2292–2333 (2011). doi.org/10.1161/CIR.0b013e3182160726
- [64]Visseren, F. et al. 2021 ESC Guidelines on cardiovascular disease prevention in clinical practice. European Heart Journal vol. 42 3227–3337 (2021). doi.org/10.1093/eurheartj/ehab484
- [65]Tikhonoff, V. et al. PROGNOSTIC VALUE AND RELATIVE CUT-OFFS OF TRIGLYCERIDES PREDICTING CARDIOVASCULAR OUTCOME IN A LARGE REGIONAL-BASED ITALIAN DATABASE. Preprint at (2023). doi.org/10.1101/2023.06.23.23291840
- [66]Chen, Y. et al. Triglyceride to high-density lipoprotein cholesterol ratio and cardiovascular events in the general population: A systematic review and meta- analysis of cohort studies. Nutrition, Metabolism and Cardiovascular Diseases 32, 318–329 (2022). doi.org/10.1016/j.numecd.2021.11.005
- [67]Baneu, P. et al. The Triglyceride/HDL Ratio as a Surrogate Biomarker for Insulin Resistance. Biomedicines 12, 1493 (2024) doi.org/10.3390/biomedicines12071493
- [68]Anderson, T. S., Wilson, L. M. & Sussman, J. B. Thirty-Year Atherosclerotic Cardiovascular Disease Risk Among US Adults Aged 30 to 59 Years. Circ Cardiovasc Qual Outcomes 19, (2026). doi.org/10.1161/CIRCOUTCOMES.125.012348
- [69]Jadoul, M. et al. KDIGO 2022 Clinical Practice Guideline for the Prevention, Diagnosis, Evaluation, and Treatment of Hepatitis C in Chronic Kidney Disease. Kidney Int 102, S129–S205 (2022). doi.org/10.1016/j.kint.2022.07.013
- [70]Refsum, H. et al. Facts and recommendations about total homocysteine determinations: an expert opinion. Clin Chem 50, 3–32 (2004). doi.org/10.1373/clinchem.2003.021634
- [71]Smith, A. D. & Refsum, H. Homocysteine – from disease biomarker to disease prevention. J Intern Med 290, 826–854 (2021). doi.org/10.1111/joim.13279
- [72]Lever, M. & Slow, S. The clinical significance of betaine, an osmolyte with a key role in methyl group metabolism. Clin Biochem 43, 732–744 (2010). doi.org/10.1016/j.clinbiochem.2010.03.009
- [73]Mach, F. et al. 2025 Focused Update of the 2019 ESC/EAS Guidelines for the management of dyslipidaemias. Eur Heart J 46, 4359–4378 (2025). doi.org/10.1093/eurheartj/ehaf190
- [74]Visseren, F. L. J. et al. 2021 ESC Guidelines on cardiovascular disease prevention in clinical practice. Eur Heart J 42, 3227–3337 (2021). doi.org/10.1093/eurheartj/ehab484
- [75]Fox, K. A. A. et al. The myth of 'stable' coronary artery disease. Nat Rev Cardiol 17, 9–21 (2020). doi.org/10.1038/s41569-019-0233-y
- [76]Van Gelder, I. C. et al. 2024 ESC Guidelines for the management of atrial fibrillation developed in collaboration with the European Association for Cardio-Thoracic Surgery (EACTS). Eur Heart J 45, 3314–3414 (2024). doi.org/10.1093/eurheartj/ehae176
- [77]Mazzolai, L. et al. 2024 ESC Guidelines for the management of peripheral arterial and aortic diseases. Eur Heart J 45, 3538–3700 (2024). doi.org/10.1093/eurheartj/ehae179
- [78]Pencina, M. J. et al. Predicting the 30-year risk of cardiovascular disease: the Framingham Heart Study. Circulation 119, 3078–3084 (2009). doi.org/10.1161/CIRCULATIONAHA.108.816694
- [79]SCORE2-OP working group and ESC Cardiovascular risk collaboration. SCORE2-OP risk prediction algorithms: estimating incident cardiovascular event risk in older persons in four geographical risk regions. Eur Heart J 42, 2455–2467 (2021). doi.org/10.1093/eurheartj/ehab312
- [80]Fletcher, A. et al. Guideline for the laboratory diagnosis of iron deficiency in adults (excluding pregnancy) and children. Br J Haematol 196, 523–529 (2022). doi.org/10.1111/bjh.17900
- [81]Auerbach, M., DeLoughery, T. G. & Tirnauer, J. S. Iron deficiency in adults: a review. JAMA 333, 1813–1823 (2025). doi.org/10.1001/jama.2025.0452
- [82]Snook, J. et al. British Society of Gastroenterology guidelines for the management of iron deficiency anaemia in adults. Gut 70, 2030–2051 (2021). doi.org/10.1136/gutjnl-2021-325210
- [83]Ko, C. W. et al. AGA clinical practice guidelines on the gastrointestinal evaluation of iron deficiency anemia. Gastroenterology 159, 1085–1094 (2020). doi.org/10.1053/j.gastro.2020.06.046