Hormonen
Schildklier
Hoewel klein van formaat, heeft de schildklier een grote invloed op onze stofwisseling[33]. Met de productie van de hormonen thyroxine (T4) en trijodothyronine (T3) reguleert ze essentiële processen zoals energieverbruik, groei en warmteproductie. Afwijkingen in de schildklier, zelfs als ze subklinische zijn, hebben een significant effect op de gezondheid van ons metabolisme[34], [35], [36].
TSH
TSH, ofwel thyroid-stimulerend hormoon, wordt geproduceerd door de hypofyse in de hersenen en reguleert de productie van schildklierhormonen (T4 en T3). Een afwijkende TSH-waarde kan duiden op een onder- of overactieve schildklier en heeft daarmee directe gevolgen voor het metabolisme.
De onder- en bovengrens van het normale gebied verschillen per labo. Synapse neemt daarom het referentie-interval over dat op je eigen labverslag staat. Staat dat er niet op, dan gebruiken we de referentietabel van het uitvoerende labo, en anders die van AML.
Daarnaast gelden twee absolute grenzen[37], [38] die losstaan van het labo:
| Werking schildklier | TSH |
|---|---|
| Extreem te snel | <0,1 mU/L |
| Te snel | 0,1 mU/L tot de ondergrens |
| Optimaal | ondergrens tot bovengrens |
| Te traag | bovengrens tot 10 mU/L |
| Extreem te traag | > 10 mU/L |
Een TSH onder 0,1 of boven 10 mU/L is klinisch dringend en krijgt meteen de slechtst mogelijke score.
FT4
T4 (thyroxine) is het voornaamste hormoon dat door de schildklier wordt aangemaakt. Een gedeelte van T4 wordt in het lichaam omgezet in T3, de biologisch actievere vorm. Omdat T4 een direct inzicht geeft in de schildklierfunctie en daarmee in het metabolisme, is het een essentiële biomerker voor het vroegtijdig opsporen van hypo- of hyperthyreoïdie.
Net als bij TSH verschillen de onder- en bovengrens per labo. Synapse neemt het referentie-interval over dat op je eigen labverslag staat. Staat dat er niet op, dan gebruiken we de referentietabel van het uitvoerende labo, en anders die van AML.
| Werking schildklier | FT4 |
|---|---|
| Te traag | < ondergrens |
| Optimaal | ondergrens tot bovengrens |
| Te snel | > bovengrens |
Geslachtshormonen
De score Geslachtshormonen beoordeelt de vruchtbare levensfase aan de hand van vijf factoren: de regelmaat van de cyclus, kenmerken die bij PMOS passen, hevig menstrueel bloedverlies met de ijzervoorraad, menstruatiepijn en het premenstrueel syndroom. De cyclus geldt daarbij als een extra vitaal teken: de regelmaat ervan weerspiegelt de terugkoppeling tussen hypothalamus, hypofyse en eierstokken, en een cyclus die blijvend onregelmatig is of lang uitloopt, is een zelfstandige cardiometabole risicomarker[1], [3].
De score steunt op de vragenlijst. Geen enkele hormoonbepaling stuurt de score: FSH, LH en estradiol schommelen in de vruchtbare jaren en zeker in de overgang te sterk om er betrouwbaar op te stadiëren. Bloedwaarden wegen op twee plaatsen wel mee: ferritine en hemoglobine in de factor hevig bloedverlies, en de insulineresistentie uit het hoofdstuk Stofwisseling als metabole modulator bij de PMOS-kenmerken.
Elke factor krijgt een waarde uit één vaste ladder, waarbij hoger beter is. De ankers liggen net onder de kleurgrenzen van het rapport, zodat elke trede zichtbaar een kleurband opschuift.
| Waarde | Kleur | Betekenis |
|---|---|---|
| 100 | Groen | Geen signaal, of de poortvraag is met Nee beantwoord |
| 74 | Geel | Licht signaal |
| 49 | Oranje | Duidelijk signaal |
| 24 | Rood | Sterk signaal |
| 0 | Rood | Sterk signaal met alarmsymptomen |
De slechtste factor bepaalt de score. Elke bijkomende oranje of rode factor vermenigvuldigt die uitkomst met haar eigen waarde als fractie; daarna kost elke bijkomende gele factor vijf punten, met 0 als ondergrens. Er wordt één keer afgerond, op het einde: twee factoren op 49 geven 49 × 0,49 = 24,01, dus 24. Een factor die niet beoordeelbaar is, valt volledig weg, uit het minimum én uit de telling. Met minder dan drie beoordeelbare factoren toont het rapport geen getal maar het label "Onvolledig beoordeelbaar" met de losse factoren.
De score geldt enkel voor vrouwen en valt volledig weg bij zwangerschap, borstvoeding of minder dan twaalf maanden na de bevalling. Onder hormonale anticonceptie, na verwijdering van de baarmoeder, na een endometriumablatie of onder systemische hormoonsubstitutie is het eigen bloedingspatroon niet zichtbaar; Synapse noemt dat de gemaskeerde route, en daar is de cyclusfactor niet beoordeelbaar. Vanaf veertig jaar, na verwijdering van beide eierstokken of onder hormoonsubstitutie opent de overgangsmodule; zodra de score Menopauze opent, verdwijnt de score Geslachtshormonen, behalve op de gemaskeerde route (zie Menopauze).
Het rapport toont enkel de factoren met een bevinding, dus onder 100, en de factoren die niet beoordeelbaar zijn, grijs en met de reden erbij. Een factor waarvan de vragen niet gesteld werden, verschijnt niet.
Cyclusregulatie
Een normale cyclus komt volgens FIGO elke 24 tot 38 dagen, is regelmatig bij een variatie van hoogstens 7 tot 9 dagen en duurt tot 8 dagen; daarbuiten spreekt men van abnormaal uterien bloeden[1]. Secundaire amenorroe is het uitblijven van de menstruatie gedurende 3 maanden of langer. De belangrijkste oorzaken van een onregelmatige, lange of uitblijvende cyclus zijn het polycysteus-ovariumsyndroom, functionele hypothalame amenorroe door energietekort, gewichtsverlies, overmatige training of stress, schildklierdysfunctie, hyperprolactinemie en, onder de veertig, prematuur ovarieel falen[2].
In de Nurses' Health Study II gingen onregelmatige cycli of een cycluslengte van 40 dagen of meer op volwassen leeftijd gepaard met 30 tot 44 % meer hart- en vaatziekten over 24 jaar; hypercholesterolemie, hypertensie en diabetes type 2 verklaarden samen maar 5 tot 14 % van dat verband[3].
Synapse leest de factor af uit de vraag naar de regelmaat en de vraag naar de gemiddelde cycluslengte; bij meerdere bevindingen geldt de laagste waarde.
| Bevinding | Waarde |
|---|---|
| Regelmatige cyclus van 24 tot 38 dagen | 100 |
| Korter dan 24 dagen, onregelmatig, of 39 tot 45 dagen | 74 |
| Langer dan 45 dagen | 49 |
| Meer dan 3 maanden geen menstruatie | 24 |
| Gemaskeerde route, of vanaf de perimenopauze | niet beoordeelbaar |
Onder de veertig telt ook een menstruatie die meer dan twaalf maanden wegblijft als de diepste trede; vanaf veertig stadieert een uitblijvende menstruatie de overgang en valt de factor weg.
PMOS-kenmerken
Het polycysteus-ovariumsyndroom, dat Synapse PMOS noemt, treft tot 13 % van de vrouwen in de vruchtbare leeftijd en berust op een zelfversterkende lus van androgeenoverschot, insulineresistentie met hyperinsulinemie en gestoorde follikelrijping[5]. De internationale richtlijn van 2023 stelt de diagnose op twee van drie Rotterdam-criteria: oligo- of anovulatie, klinisch of biochemisch hyperandrogenisme, en polycysteuze ovaria of een verhoogd AMH, na uitsluiting van schildklierlijden, hyperprolactinemie en niet-klassieke bijnierhyperplasie. Onregelmatige cycli mét hyperandrogenisme volstaan zonder echografie, en zelfgerapporteerde ongewenste haargroei geldt als klinisch betekenisvol[4]. Het syndroom gaat gepaard met insulineresistentie bij ongeveer twee derde, meer diabetes type 2 onafhankelijk van het gewicht en een atherogeen lipidenprofiel[6].
Deze factor is een screen, geen diagnose. Ze combineert een cyclus-as met een androgene as uit twee vragen: overbeharing op typisch mannelijke plaatsen, en hardnekkige acne of haaruitval. De cyclus-as telt enkel bij oligo- of amenorroe, dus een cyclus langer dan 45 dagen of een uitblijvende menstruatie; een korte, onregelmatige of 39 tot 45 dagen durende cyclus is geen PMOS-cyclus-as. Subtiel afwijkend is lichte overbeharing, acne of haaruitval alleen, of de cyclus-as alleen; duidelijk afwijkend is duidelijke overbeharing, of acne én haaruitval.
| Bevinding | Waarde |
|---|---|
| Geen cyclus-as en geen androgene as | 100 |
| Subtiel afwijkend op één as | 74 |
| Duidelijk afwijkend op één as | 49 |
| Beide assen aanwezig | 24 |
| Beide assen, met zowel overbeharing als acne of haaruitval | 0 |
Een insulineresistentiescore in de oranje of rode zone (zie het hoofdstuk Stofwisseling), prediabetes of diabetes verlaagt de waarde één trede, maar alleen als ze al op 74 of lager stond. Op de gemaskeerde route en vanaf de perimenopauze telt enkel de androgene as, zodat de waarde zonder die modulator niet onder 49 zakt: een lange of uitblijvende cyclus hoort daar bij de anticonceptie of de overgang en mag geen PMOS-signaal opleveren. De vragen naar overbeharing, acne en haaruitval worden enkel gesteld onder hormonale anticonceptie of bij een onregelmatige of uitblijvende cyclus; zonder die vragen valt de factor weg.
Hevig bloedverlies en ijzer
Hevig menstrueel bloedverlies is volgens FIGO geen millilitergrens maar bloedverlies dat de fysieke, sociale of emotionele levenskwaliteit aantast; PALM-COEIN ordent de oorzaken, met stollingsstoornissen als vaak gemiste categorie[1]. Menstrueel bloedverlies is de belangrijkste oorzaak van ijzertekort bij vrouwen. Dat tekort verloopt in stappen: eerst daalt de voorraad (ferritine), pas later het hemoglobine, zodat een normaal bloedbeeld ijzertekort zonder bloedarmoede niet uitsluit. In hoge-inkomenslanden heeft ongeveer 38 % van de niet-zwangere vrouwen in de vruchtbare leeftijd zo'n tekort en 13 % bloedarmoede[7].
Voor ferritine circuleren drie afkapwaarden. De WHO-grens van 15 μg/L is zeer specifiek maar haalt amper 59 % sensitiviteit; de AGA-richtlijn hanteert 45 μg/L met 85 % sensitiviteit en 92 % specificiteit[8], en de recente JAMA-review 30 μg/L[7]. Synapse volgt in deze context de gevoelige grens, omdat maandelijks verlies de voorafkans verhoogt, en benoemt waarden tussen 15 en 45 als depletie, niet als anemie. Bij ontsteking is ferritine als acutefase-eiwit onbetrouwbaar.
De factor opent met de poortvraag naar hevig bloedverlies. Na Nee staat hij op 100, behalve bij een ferritine onder 15 μg/L: dan geldt de ijzer-as alleen (24, of 0 met een hemoglobine onder 12 g/dL), want ook bloedverlies dat niet als hevig ervaren wordt, kan de ijzervoorraad uitputten. Na Ja is hij de laagste van twee assen. De symptoom-as volgt de gevalideerde SAMANTA-items (hevigheid op de zwaarste dag, klonters, duur); de ijzer-as leest ferritine en hemoglobine uit de bloedafname.
Na Nee spreekt de tegel enkel over ijzer: hij heet dan "IJzervoorraad: je ferritine is zeer laag (onder 15)", draagt het label "Enkel beoordeeld op je ijzervoorraad" en opent een factorpagina over de ijzervoorraad, zonder woorden over hevig bloedverlies. Meldde ze wel hevig bloedverlies, dan blijft het de tegel van deze factor. De waarde is in beide gevallen dezelfde.
| Symptoom-as | Waarde |
|---|---|
| Licht, een inlegkruisje volstaat | 100 |
| Matig, verband 3 tot 4 uur houdbaar | 74 |
| Hevig, verband elke 1 tot 2 uur | 49 |
| Hevig met grote klonters of langer dan 7 dagen | 24 |
| Zeer hevig, doorlekken ondanks dubbele bescherming | 0 |
| IJzer-as | Waarde |
|---|---|
| Ferritine 45 μg/L of hoger | 100 |
| Ferritine 30 tot onder 45 μg/L | 74 |
| Ferritine 15 tot onder 30 μg/L | 49 |
| Ferritine onder 15 μg/L, of hemoglobine onder 12 g/dL | 24 |
| Ferritine onder 15 μg/L én hemoglobine onder 12 g/dL | 0 |
Zonder ferritine telt enkel de symptoom-as, met het label "Labo ontbreekt"; een hemoglobine zonder ferritine telt dan niet mee. Onder hormonale anticonceptie gaat het om een onttrekkingsbloeding, en de factor draagt dan het label "onder hormonale anticonceptie". Na verwijdering van de baarmoeder, of wanneer de menstruatie uitblijft, worden de bloedingsvragen niet gesteld en valt de factor weg. Meldt een vrouw onder hormonale anticonceptie dat ze geen bloedingen meer heeft, dan scoort de factor als geen klacht, met die notitie erbij.
Menstruatiepijn
Primaire dysmenorroe ontstaat door overproductie van prostaglandinen in het endometrium bij de progesterondaling vóór de menstruatie: krachtige samentrekkingen, verhoogde intra-uteriene druk en vasoconstrictie geven ischemie en pijn. Ze treft 50 tot 90 % van de menstruerende vrouwen, bij ongeveer de helft matig tot ernstig, en is de belangrijkste oorzaak van kortdurend school- en werkverzuim bij jonge vrouwen[9]. Secundaire dysmenorroe berust op bekkenpathologie, vooral endometriose en adenomyose. Endometriose treft tot 10 % van de vrouwen, wordt gemiddeld pas 5 tot 12 jaar na de eerste klachten herkend en mag klinisch vermoed worden op symptomen, onderzoek en echografie[10]. NSAID's zijn eerste keuze en ruim viermaal effectiever dan placebo, mits ingenomen bij de eerste krampen[11].
De factor is de laagste van een pijnband op de numerieke schaal van 0 tot 10 en een impactband uit pijnstillergebruik en verzuim. Een endometriose-kernsymptoom verdiept de diepste trede: diepe dyspareunie, cyclische dyschezie of dysurie, of pijn die aanhoudt ondanks NSAID's én hormonale behandeling.
| Bevinding | Waarde |
|---|---|
| Geen menstruatiepijn | 100 |
| Pijn 1 tot 3, of soms pijnstillers | 74 |
| Pijn 4 tot 6, of soms verzuim (1 tot 2 dagen per cyclus) | 49 |
| Pijn 7 tot 10, regelmatig verzuim of altijd pijnstillers | 24 |
| Trede 24 met minstens één endometriose-kernsymptoom | 0 |
Onder hormonale anticonceptie blijft deze factor volledig beoordeelbaar, zonder demping: pijn die aanhoudt onder een hormonale behandeling is klinisch zwaarder, niet lichter. Wanneer de menstruatie uitblijft, of wanneer de klachtenvraag aangevinkt is maar geen enkele pijnvraag beantwoord werd, valt de factor weg.
Premenstrueel syndroom
Premenstruele stoornissen zijn cyclische affectieve en lichamelijke klachten die zich beperken tot de luteale fase en verdwijnen na het begin van de menstruatie, met een klachtenvrij interval van minstens een week[13]. Tot 90 % van de vrouwen meldt minstens één premenstruele klacht; 20 tot 30 % voldoet aan PMS en 2 tot 5 % aan de ernstige vorm, PMDS, met een levenskwaliteit vergelijkbaar met depressie en een verhoogd suïciderisico[12]. De klachten berusten niet op afwijkende hormoonspiegels maar op een verhoogde gevoeligheid voor de normale schommelingen[12]. De diagnose vereist prospectieve dagelijkse registratie over minstens twee cycli; een retrospectieve vragenlijst screent en triageert, maar objectiveert de cycliciteit niet[13]. SSRI's zijn eerste keuze bij affectieve klachten, continu of in de luteale fase[14].
De factor leest drie vragen: welke klachten in de week vóór de menstruatie optreden, hoeveel ze wegen op het dagelijks functioneren, en of ze verdwijnen na het begin van de menstruatie. Affectieve kernklachten zijn stemmingswisselingen, prikkelbaarheid, somberheid en angst of spanning.
| Bevinding | Waarde |
|---|---|
| Geen premenstruele klachten | 100 |
| Lichte impact, verdwijnt na de start van de menstruatie | 74 |
| Matige impact, verdwijnt na de start | 49 |
| Sterke impact, verdwijnt na de start | 24 |
| Affectieve kernklacht met sterke impact, verdwijnt na de start | 0 |
Weet de vrouw niet of de klachten verdwijnen zodra de menstruatie begint, of verdwijnen ze niet, dan blijft de factor op 74 met het label "Patroon onduidelijk", volgt het advies van een symptoomdagboek: klachten die de hele cyclus aanwezig zijn en premenstrueel verergeren wijzen op een onderliggende stoornis, die het mentale domein opvolgt. Onder hormonale anticonceptie draagt de factor, net als hevig bloedverlies, het label "onder hormonale anticonceptie": de anticonceptie dempt de hormonale schommeling die PMS uitlokt.
Menopauze
De score Menopauze beoordeelt de overgang aan de hand van zes factoren: opvliegers en nachtzweten, lichamelijke klachten, zin in seks, vaginale en blaasklachten, angst en stemming. Vier daarvan komen rechtstreeks uit de overgangsmodule, waarvan elk item van 0 tot 3 gescoord wordt (afwezig, af en toe en niet hinderlijk, vaak en hinderlijk, zeer vaak en onderbreekt de bezigheden). Angst en stemming worden niet opnieuw bevraagd maar afgeleid uit de mentale vragenlijsten die bij iedereen lopen, de GAD-7 en de afgeleide PHQ-9.
De overgangsmodule vertrekt van de Greene Climacteric Scale, een gevalideerde schaal van 21 items. Op vijf punten wijkt Synapse er bewust van af. De angstvragen van de schaal zijn vervangen door de GAD-7 en de depressievragen door de bestaande depressiescore, een afgeleide PHQ-9. Het item hartkloppingen bij angst is nieuw en staat niet in de schaal. De vier vaginale en blaasklachten staan evenmin in de schaal: die uitbreiding komt uit de praktijk, niet uit de validatieliteratuur. Het slaapitem van de angstsubschaal wordt niet apart gevraagd maar afgeleid uit de slaapdomeinscore, met het gewicht dat de schaal eraan geeft. Het resultaat is daarom geen totaalscore van de Greene-schaal en mag niet tegen de normwaarden daarvan gelegd worden: het is een herhaalbare maat voor hoeveel last de vrouw ervaart, om over de tijd te volgen en om een gesprek te openen.
Welke score het rapport toont, hangt af van de route. Op de bloedingsroute stadieert Synapse klinisch volgens STRAW+10, zonder enige bloedwaarde: een cyclus die het afgelopen jaar veranderd is, geldt als perimenopauze; vanaf veertig jaar ook een menstruatie die meer dan 3 maanden wegblijft, en meer dan 12 maanden als postmenopauze. Vanaf de perimenopauze vervangt Menopauze dan de score Geslachtshormonen. Na verwijdering van beide eierstokken, de chirurgische route, is de vrouw meteen postmenopauzaal en geldt Menopauze. Op de gemaskeerde route is het stadium niet via de cyclus bepaalbaar: daar opent Menopauze vanaf 45 jaar, of vanaf 40 jaar zodra opvliegers of nachtzweten vaak en hinderlijk of erger zijn, en blijft de score Geslachtshormonen ernaast staan. Dat geldt ook onder systemische hormoonsubstitutie; staat daar een factor op 49 of lager, dan vraagt het artsbericht de behandeling te evalueren. Zonder overgangsmodule blijft Geslachtshormonen de enige score.
De vier factoren uit de overgangsmodule delen één ladder die kijkt naar het hoogste antwoord en naar hoeveel antwoorden op dat niveau staan. Eén zeer ernstig symptoom weegt daardoor zwaarder dan meerdere milde, wat aansluit bij de bevinding dat één zeer ernstig item op zich al een behandelbehoefte aangeeft. Er is bewust geen somscore over de items.
| Hoogste antwoord | Aantal op dat niveau | Waarde |
|---|---|---|
| 0, of poortvraag Nee | 100 | |
| 1 | één of meer | 74 |
| 2 | precies één | 74 |
| 2 | twee of meer | 49 |
| 3 | precies één | 49 |
| 3 | twee of meer | 24 |
De slechtste factor bepaalt de score, met dezelfde combinatieregel als bij Geslachtshormonen: elke bijkomende oranje of rode factor vermenigvuldigt de uitkomst met haar eigen waarde als fractie, daarna kost elke bijkomende gele factor vijf punten. Met minder dan drie beoordeelbare factoren toont het rapport geen getal maar de losse factoren.
In de overgang tellen cyclusregulatie, bloedverlies, pijn en PMS niet mee in een score. Het rapport toont onder Menopauze de zes factoren hieronder als tegels, met dezelfde regel als bij Geslachtshormonen: enkel de factoren met een bevinding en de factoren die niet beoordeelbaar zijn. Onder elke factor uit de overgangsmodule staan de antwoorden waaruit hij afgelezen werd; een klacht die afwezig is, verschijnt niet. De cyclusfactor verschijnt in de overgang niet, ook niet als grijze tegel: niet onder Menopauze, en op de gemaskeerde route evenmin onder Geslachtshormonen. Staat de cyclustrede op 49 of lager, dan verschijnt ook de tegel PMOS-kenmerken, gevoed door de androgene as alleen; die telt niet mee in de score Menopauze.
Opvliegers en nachtzweten
Opvliegers en nachtzweten ontstaan door oestrogeenonttrekking in de hypothalamus: KNDy-neuronen die neurokinine B afgeven raken overactief en vernauwen de thermoneutrale zone, zodat een kleine stijging van de kerntemperatuur een volledige warmteafgifte uitlokt; dat mechanisme is ook de basis van de neurokinine-3-receptorantagonisten[17]. Tot 80 % van de vrouwen krijgt ermee te maken. In de SWAN-cohorte duurden frequente klachten mediaan 7,4 jaar, meer dan 11 jaar bij een start vóór of in de vroege perimenopauze en mediaan 3,4 jaar bij een postmenopauzale start[16].
De klachten versnipperen de slaap en verlagen de drempel voor prikkelbaarheid en somberheid, en frequente of vroeg beginnende opvliegers gelden als mogelijk merkteken van cardiovasculair risico[15]. Hormoontherapie is de effectiefste behandeling, met ongeveer 75 % minder opvliegers, en heeft een gunstige baten-risicoverhouding bij vrouwen jonger dan 60 of binnen tien jaar na de laatste menstruatie zonder contra-indicaties[15]. Niet-hormonale opties met bewijs zijn fezolinetant, SSRI's of SNRI's, gabapentine, cognitieve gedragstherapie en klinische hypnose; bewegen, yoga, koeltechnieken en het vermijden van uitlokkers verminderen de frequentie niet[17].
Synapse leest de factor af uit de twee items opvliegers en nachtelijk zweten.
| Bevinding | Waarde |
|---|---|
| Geen van beide | 100 |
| Af en toe, of één item vaak en hinderlijk | 74 |
| Beide items vaak en hinderlijk, of één item zeer vaak | 49 |
| Beide items zeer vaak | 24 |
Lichamelijke klachten
Spier- en gewrichtspijn is de meest overtuigende lichamelijke klacht van de transitie: meer dan 70 % van de vrouwen ervaart musculoskeletale klachten in de overgang en ongeveer een kwart wordt erdoor beperkt. Oestrogeenreceptoren in kraakbeen, synovium, spier en pees verklaren het verband; het geheel van artralgie, spier- en botverlies en versnelde artrose wordt sinds kort het musculoskeletaal syndroom van de menopauze genoemd[18]. Hoofdpijn en migraine verergeren vaak in de perimenopauze door het schommelende oestrogeen; migraine zonder aura verbetert meestal na de menopauze, migraine met aura blijft vaker bestaan[20].
In de WHI-studie gaf oestrogeen alleen na een jaar een bescheiden maar aanhoudende daling van gewrichtspijn, maar hormoontherapie is geen indicatie voor gewrichtspijn op zich[19]. Krachttraining, voldoende eiwit en gewichtsbeheersing zijn de eerste keuze voor spieren, botten en gewrichten[18]. Tintelingen en een gespannen gevoel zijn de minst specifieke items: bij nieuwe klachten in deze leeftijdsgroep horen inflammatoire artritis, hypothyreoïdie, vitamine D-tekort, carpaletunnelsyndroom en polymyalgia uitgesloten te worden.
Synapse leest de factor af uit de poortvraag en de vier items hoofdpijn, spier- en gewrichtspijn, doof of tintelend gevoel, en gespannen gevoel of druk.
| Bevinding | Waarde |
|---|---|
| Poortvraag Nee, of alle items afwezig | 100 |
| Hoogste item af en toe, of één item vaak en hinderlijk | 74 |
| Twee of meer items vaak en hinderlijk, of één item zeer vaak | 49 |
| Twee of meer items zeer vaak | 24 |
Zin in seks
In de SWAN-cohorte hingen verlangen, opwinding en bevrediging het sterkst samen met relatiefactoren, het belang dat de vrouw aan seks hecht, haar houding tegenover ouder worden en vaginale droogheid; de vroege perimenopauze zelf voegde vooral pijn bij het vrijen toe[21]. Bij 2.020 Australische vrouwen van 40 tot 65 rapporteerde 69 % weinig zin, 40 % lijdensdruk en 32 % beide, de definitie van een hypoactieve seksuele verlangenstoornis; vaginale droogheid, pijn bij het vrijen, depressieve klachten en psychofarmaca hingen ermee samen, opvliegers niet[22].
Het onderscheid met gewoon minder zin is de lijdensdruk. Behandel eerst de beïnvloedbare oorzaken: lokaal oestrogeen bij droogheid of pijn, aandacht voor stemming, slaap en medicatie, en seksuologische of relatiebegeleiding. Transdermaal testosteron heeft bij postmenopauzale vrouwen met een verlangenstoornis een matig effect, in een dosis die premenopauzale spiegels herstelt en met controle van de spiegels; een bloedspiegel stelt de diagnose niet[23].
Synapse leest de factor af uit het ene item minder zin in seks; met één item zijn de stapeltreden onbereikbaar en is 49 de laagste waarde.
| Bevinding | Waarde |
|---|---|
| Geen verandering | 100 |
| Af en toe, of vaak en hinderlijk | 74 |
| Zeer vaak | 49 |
| Item niet beantwoord | niet beoordeelbaar |
Vaginale en blaasklachten
Het genito-urinair syndroom van de menopauze omvat droogheid, branderigheid en irritatie van vulva en vagina, pijn bij het vrijen, en urinaire klachten zoals aandrang, dysurie en recidiverende urineweginfecties. Oestrogeentekort maakt het epitheel dun en kwetsbaar, verhoogt de vaginale pH en verdringt de lactobacillen; anders dan vasomotorische klachten is het beloop chronisch en progressief zonder behandeling[24]. Het syndroom is stelselmatig onderbehandeld: in een systematische review van 27 studies varieerde de prevalentie van klachten van 13 tot 87 % en gebruikte slechts 13 tot 78 % een specifieke behandeling[25].
Vochtinbrengende crèmes en glijmiddelen volstaan bij lichte klachten. Bij matige tot ernstige klachten is laaggedoseerd vaginaal oestrogeen de effectiefste optie: in de Cochrane-review van 30 studies verbeterden alle vormen de klachten tegenover placebo, zonder verschil onderling[26]. De systemische opname is minimaal, een progestageen is niet nodig en vaginaal oestrogeen verlaagt ook recidiverende urineweginfecties[24]. Postmenopauzaal bloedverlies of een verdacht letsel vraagt verwijzing.
Synapse leest de factor af uit de vier items droogheid of branderigheid, irritatie of jeuk, terugkerende infecties, en blaasklachten, die zonder poortvraag aan elke vrouw in de overgangsmodule gesteld worden. Dit domein staat niet in de Greene-schaal; de indeling is eigen werk, omdat er voor dit domein geen gevalideerd systeem van ernstbanden bestaat.
| Bevinding | Waarde |
|---|---|
| Alle items afwezig | 100 |
| Hoogste item af en toe, of één item vaak en hinderlijk | 74 |
| Twee of meer items vaak en hinderlijk, of één item zeer vaak | 49 |
| Twee of meer items zeer vaak | 24 |
Angst
In de SWAN-cohorte van 2.956 vrouwen hadden vrouwen met weinig angst vóór de overgang een hogere kans op hoge angstklachten in de vroege en late perimenopauze en erna, onafhankelijk van levensgebeurtenissen, financiële druk en opvliegers; wie al angstig was, bleef dat zonder stadiumgebonden piek[27]. Hartkloppingen, zweten en een bonzend hart zijn klachten die angst, paniek en opvliegers delen, en somatische items overlappen ook met schildklierlijden.
De GAD-7 meet gegeneraliseerde angstklachten over twee weken met de banden 5, 10 en 15 voor lichte, matige en ernstige klachten; bij een afkapwaarde van 10 vond de oorspronkelijke validatie een sensitiviteit van 89 % en een specificiteit van 82 %[28]. In een meta-analyse van 12 steekproeven waren afkapwaarden van 7 tot 10 vergelijkbaar nauwkeurig, en de schaal is minder betrouwbaar voor paniek en sociale angst[29]. Een positieve score is een aanleiding voor een gesprek, geen diagnose; cognitieve gedragstherapie is eerste keuze en SSRI's of SNRI's verminderen ook opvliegers.
Synapse leest de factor af uit de GAD-7 van het mentale domein. Daar komen tot 3 punten voor slaap bij: de angstsubschaal van de Greene-schaal telt één slaapitem, goed voor 3 van haar 63 punten, en Synapse leidt dat item af uit de slaapdomeinscore als (100 − slaapdomeinscore) / 100 × 3. Het item hartkloppingen verlaagt de factor één trede wanneer het zeer vaak voorkomt; vaak en hinderlijk verandert de waarde niet. Is de eerste mentale screening gunstig, dan worden de vervolgvragen niet gesteld en telt de GAD-7 als 0.
| Bevinding | Waarde |
|---|---|
| GAD-7 plus slaappunten onder 5 | 100 |
| 5 tot onder 10 | 74 |
| 10 tot onder 15 | 49 |
| 15 of meer | 24 |
| Hartkloppingen zeer vaak | één trede lager, tot 0 |
Stemming
De transitie is een kwetsbaarheidsvenster voor de stemming. In de Penn Ovarian Aging Study was de kans op depressieve klachten bij vrouwen zonder voorgeschiedenis ruim vier keer hoger tijdens de transitie dan ervoor, en die op een depressieve stoornis tweeënhalf keer, samenhangend met de schommelende hormoonspiegels[31]. In SWAN was de kans op een depressieve episode twee tot vier keer hoger in de peri- en vroege postmenopauze, onafhankelijk van opvliegers en hormoonspiegels[32]. De sterkste voorspeller blijft een eerdere depressie.
De richtlijn voor perimenopauzale depressie beveelt aan de menopauzale fase vast te stellen en schildklierlijden, anemie, slaapapneu, middelengebruik en een bipolaire stoornis uit te sluiten; antidepressiva en psychotherapie zijn eerste keuze, en oestrogeen heeft een antidepressief effect bij perimenopauzale vrouwen met opvliegers maar is daarvoor niet geregistreerd[30]. Een antwoord boven Nee op de vraag naar donkere gedachten activeert daarnaast het veiligheidsprotocol van het mentale domein.
Synapse leest de factor af uit de bestaande depressiescore: de afgeleide PHQ-9 gaat door de omzetting naar een percentage waarbij hoger beter is, en dat percentage valt op de bijhorende laddertrede. Omdat de omzetting de PHQ-9-ernstgrenzen 4, 9 en 14 op 75, 50 en 25 % legt, volgen de treden de gepubliceerde banden. Is de eerste mentale screening gunstig, dan telt de PHQ-9 als 0.
| Bevinding | Waarde |
|---|---|
| PHQ-9 van 0 tot 4 (75 % of hoger) | 100 |
| PHQ-9 van 5 tot 9 (50 tot onder 75 %) | 74 |
| PHQ-9 van 10 tot 14 (25 tot onder 50 %) | 49 |
| PHQ-9 van 15 tot 26 (onder 25 %) | 24 |
| PHQ-9 van 27 (0 %) | 0 |
Ontwikkeld en getoetst met de medische adviesraad van Synapse.
Referenties
- [1]Munro, M. G., Critchley, H. O. D. & Fraser, I. S. The two FIGO systems for normal and abnormal uterine bleeding symptoms and classification of causes of abnormal uterine bleeding in the reproductive years: 2018 revisions. Int J Gynaecol Obstet 143, 393–408 (2018) doi.org/10.1002/ijgo.12666
- [2]Pitts, S., DiVasta, A. D. & Gordon, C. M. Evaluation and management of amenorrhea. JAMA 326, 1962–1963 (2021) doi.org/10.1001/jama.2021.13312
- [3]Wang, Y. X. et al. Menstrual cycle regularity and length across the reproductive lifespan and risk of cardiovascular disease. JAMA Netw Open 5, e2238513 (2022) doi.org/10.1001/jamanetworkopen.2022.38513
- [4]Teede, H. J. et al. Recommendations from the 2023 international evidence-based guideline for the assessment and management of polycystic ovary syndrome. J Clin Endocrinol Metab 108, 2447–2469 (2023) doi.org/10.1210/clinem/dgad463
- [5]Escobar-Morreale, H. F. Polycystic ovary syndrome: definition, aetiology, diagnosis and treatment. Nat Rev Endocrinol 14, 270–284 (2018) doi.org/10.1038/nrendo.2018.24
- [6]O'Kelly, A. C. et al. Pregnancy and reproductive risk factors for cardiovascular disease in women. Circ Res 130, 652–672 (2022) doi.org/10.1161/CIRCRESAHA.121.319895
- [7]Auerbach, M., DeLoughery, T. G. & Tirnauer, J. S. Iron deficiency in adults: a review. JAMA 333, 1813–1823 (2025) doi.org/10.1001/jama.2025.0452
- [8]Ko, C. W. et al. AGA clinical practice guidelines on the gastrointestinal evaluation of iron deficiency anemia. Gastroenterology 159, 1085–1094 (2020) doi.org/10.1053/j.gastro.2020.06.046
- [9]Kho, K. A. & Shields, J. K. Diagnosis and management of primary dysmenorrhea. JAMA 323, 268–269 (2020) doi.org/10.1001/jama.2019.16921
- [10]As-Sanie, S. et al. Endometriosis: a review. JAMA 334, 64–78 (2025) doi.org/10.1001/jama.2025.2975
- [11]Marjoribanks, J. et al. Nonsteroidal anti-inflammatory drugs for dysmenorrhoea. Cochrane Database Syst Rev 2015, CD001751 (2015) doi.org/10.1002/14651858.CD001751.pub3
- [12]American College of Obstetricians and Gynecologists. Management of premenstrual disorders: ACOG Clinical Practice Guideline No. 7. Obstet Gynecol 142, 1516–1533 (2023) doi.org/10.1097/AOG.0000000000005426
- [13]Ismaili, E. et al. Fourth consensus of the International Society for Premenstrual Disorders (ISPMD): auditable standards for diagnosis and management of premenstrual disorder. Arch Womens Ment Health 19, 953–958 (2016) doi.org/10.1007/s00737-016-0631-7
- [14]Jespersen, C. et al. Selective serotonin reuptake inhibitors for premenstrual syndrome and premenstrual dysphoric disorder. Cochrane Database Syst Rev 8, CD001396 (2024) doi.org/10.1002/14651858.CD001396.pub4
- [15]North American Menopause Society. The 2022 hormone therapy position statement of The North American Menopause Society. Menopause 29, 767–794 (2022) doi.org/10.1097/GME.0000000000002028
- [16]Avis, N. E. et al. Duration of menopausal vasomotor symptoms over the menopause transition. JAMA Intern Med 175, 531–539 (2015) doi.org/10.1001/jamainternmed.2014.8063
- [17]North American Menopause Society. The 2023 nonhormone therapy position statement of The North American Menopause Society. Menopause 30, 573–590 (2023) doi.org/10.1097/GME.0000000000002200
- [18]Wright, V. J., Schwartzman, J. D., Itinoche, R. & Wittstein, J. The musculoskeletal syndrome of menopause. Climacteric 27, 466–472 (2024) doi.org/10.1080/13697137.2024.2380363
- [19]Chlebowski, R. T. et al. Estrogen alone and joint symptoms in the Women's Health Initiative randomized trial. Menopause 20, 600–608 (2013) doi.org/10.1097/GME.0b013e31828392c4
- [20]MacGregor, E. A. Migraine, menopause and hormone replacement therapy. Post Reprod Health 24, 11–18 (2018) doi.org/10.1177/2053369117731172
- [21]Avis, N. E. et al. Correlates of sexual function among multi-ethnic middle-aged women: results from the Study of Women's Health Across the Nation (SWAN). Menopause 25, 1244–1255 (2018) doi.org/10.1097/GME.0000000000001226
- [22]Worsley, R., Bell, R. J., Gartoulla, P. & Davis, S. R. Prevalence and predictors of low sexual desire, sexually related personal distress, and hypoactive sexual desire dysfunction in a community-based sample of midlife women. J Sex Med 14, 675–686 (2017) doi.org/10.1016/j.jsxm.2017.03.254
- [23]Davis, S. R. et al. Global Consensus Position Statement on the use of testosterone therapy for women. J Clin Endocrinol Metab 104, 4660–4666 (2019) doi.org/10.1210/jc.2019-01603
- [24]North American Menopause Society. The 2020 genitourinary syndrome of menopause position statement of The North American Menopause Society. Menopause 27, 976–992 (2020) doi.org/10.1097/GME.0000000000001609
- [25]Mili, N. et al. Genitourinary syndrome of menopause: a systematic review on prevalence and treatment. Menopause 28, 706–716 (2021) doi.org/10.1097/GME.0000000000001752
- [26]Lethaby, A., Ayeleke, R. O. & Roberts, H. Local oestrogen for vaginal atrophy in postmenopausal women. Cochrane Database Syst Rev 2016, CD001500 (2016) doi.org/10.1002/14651858.CD001500.pub3
- [27]Bromberger, J. T. et al. Does risk for anxiety increase during the menopausal transition? Study of Women's Health Across the Nation. Menopause 20, 488–495 (2013) doi.org/10.1097/GME.0b013e3182730599
- [28]Spitzer, R. L., Kroenke, K., Williams, J. B. W. & Löwe, B. A brief measure for assessing generalized anxiety disorder: the GAD-7. Arch Intern Med 166, 1092–1097 (2006) doi.org/10.1001/archinte.166.10.1092
- [29]Plummer, F., Manea, L., Trepel, D. & McMillan, D. Screening for anxiety disorders with the GAD-7 and GAD-2: a systematic review and diagnostic metaanalysis. Gen Hosp Psychiatry 39, 24–31 (2016) doi.org/10.1016/j.genhosppsych.2015.11.005
- [30]Maki, P. M. et al. Guidelines for the evaluation and treatment of perimenopausal depression: summary and recommendations. J Womens Health (Larchmt) 28, 117–134 (2019) doi.org/10.1089/jwh.2018.27099.mensocrec
- [31]Freeman, E. W., Sammel, M. D., Lin, H. & Nelson, D. B. Associations of hormones and menopausal status with depressed mood in women with no history of depression. Arch Gen Psychiatry 63, 375–382 (2006) doi.org/10.1001/archpsyc.63.4.375
- [32]Bromberger, J. T. et al. Major depression during and after the menopausal transition: Study of Women's Health Across the Nation (SWAN). Psychol Med 41, 1879–1888 (2011) doi.org/10.1017/S003329171100016X
- [33]Mullur, R., Liu, Y.-Y. & Brent, G. A. Thyroid Hormone Regulation of Metabolism. Physiol Rev 94, 355–382 (2014) doi.org/10.1152/physrev.00030.2013
- [34]Chang, C. H. et al. Metabolic syndrome is associated with an increased incidence of subclinical hypothyroidism - A Cohort Study. Sci Rep 7, (2017) doi.org/10.1038/s41598-017-07004-2
- [35]Choi, Y. M., Kim, M. K., Kwak, M. K., Kim, D. & Hong, E. G. Association between thyroid hormones and insulin resistance indices based on the Korean National Health and Nutrition Examination Survey. Sci Rep 11, (2021) doi.org/10.1038/s41598-021-01101-z
- [36]Khatiwada, S., Sah, S. K., Rajendra, K. C., Baral, N. & Lamsal, M. Thyroid dysfunction in metabolic syndrome patients and its relationship with components of metabolic syndrome. Clin Diabetes Endocrinol 2, (2016) doi.org/10.1186/s40842-016-0021-0
- [37]Xu, Y. et al. The optimal healthy ranges of thyroid function defined by the risk of cardiovascular disease and mortality: systematic review and individual participant data meta-analysis. Lancet Diabetes Endocrinol 11, 743–754 (2023) doi.org/10.1016/S2213-8587(23)00227-9
- [38]Śmierciak, N. et al. Redefining the Cut-Off Ranges for TSH Based on the Clinical Picture, Results of Neuroimaging and Laboratory Tests in Unsupervised Cluster Analysis as Individualized Diagnosis of Early Schizophrenia. J Pers Med 12, 247 (2022) doi.org/10.3390/jpm12020247